Het vervuilde loodwit van oude meesters

De krant doet dagelijks verslag van de examens.

Scheikunde 1 (vwo) door de ogen van Wim Köhler – examenjaar 1970 (HBS-b), cijfer 7.

Uit het eindexamen scheikunde 1 voor het vwo stijgen de mestdampen op. Een hoop paardenmest op een stenen pot met azijn en loodkrullen, die met planken werd afgesloten. We hebben het over de Gouden Eeuw. De mest ging broeien. De warmte zorgde ervoor dat in de pot een witte aanslag ontstond. Loodwit: een onmisbare grondstof voor de Hollandse meesters. Voor lichte kleuren gebruikten ze loodwit, gemengd met pigmenten. En ze grondden er hun doeken en panelen mee.

Daar ging het fout, aldus een bij het examen gevoegd Volkskrant -artikel. Het stuk is de basis voor mooie vragen over de loodwitbereiding. De deskundige in het artikel denkt dat de schilders voor de grondlaag gebruikmaakten van goedkoop loodwit, dat met chloor was verontreinigd.

Hoe zou je de aanwezigheid van chloor onderzoeken? De eeuwen van loodwitbereiding tot het moderne onderzoek zijn overbrugd.

Het hele examen is mooi. De eerste vraag gaat over industriële aspirinebereiding. Makkie. Je moet even rekenen om er achter te komen hoeveel gram je van een grondstof nodig hebt om een kilo aspirine te krijgen. Het blijft in het midden of de opbrengst van de chemische reacties wel 100 procent is, wat meestal niet zo is. Op de middelbare school is het leven wat dat betreft nog eenvoudig.

De volgende vraag gaat over de basenvolgorde van het gen voor de alfa-globineketen in het zuurstoftransporterende bloedeiwit hemoglobine. Met een Binas-tabel kan iedereen nagaan dat het verdwijnen van één base uit het DNA een eiwitketen oplevert van vijf aminozuren langer dan normaal. Eitje, deze eiwitvraag.

De vraag over goudwinning gebruikt een tekst uit de jaargang 1999 van het tijdschrift Natuur en Techniek. ‘De reactievergelijking in het tekstfragment is fout.’ Plaatsvervangende schaamte bekruipt me, als oud-redacteur van dat achtenswaardige tijdschrift. Gelukkig is de fout van na mijn tijd.

Dan is er nog een vraag die begint met de formule van 1,2-epoxypropaan, die uitmondt in echte polymeerchemie. De laatste deelvraag gaat over het meten van de hoeveelheid cyanide in afvalwater. Zo blijkt milieuproblematiek weer van alle tijden. De Hollandse meesters hadden er al last van, en wij ook.