Gun ze het slachtofferschap niet

De Marokkaanse jongens die het Willem II-stadion sloopten, misbruiken de cultuurverschillen.

Maar critici ook. Niet alles is een kwestie van integratie.

Zijn de Marokkaanse slopers van het Willem II-stadion anders dan de slopers van de winkelruiten rond het Leidseplein? Ik zou zeggen van niet. Maar we zijn erop geconditioneerd elke affaire waarin een of meer Marokkanen optreden, te zien als een uitvloeisel van de integratieproblematiek. Alles moet een protest zijn tegen maatschappelijke uitsluiting. Als de autochtone burgerij graag wil dat vernielzucht een hoger doel dient, dan geven de kwajongens dat gehoorzaam toe.

Zoals een tbs’er op een bepaald moment perfect het jargon van de psychiater imiteert als hij over zijn problemen spreekt, zo beheersen de allochtone achtergestelden volmaakt het jargon van het beleid dat op hen wordt losgelaten. Toen Sarkozy in Frankrijk tot president was verkozen, klonken er protesten in de banlieues. De jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst formuleerden hun weerstand geheel in de traditie van het Franse beleid van unité en laïcité. Sarkozy moest niet denken dat zij geen ‘echte Fransen’ zijn.

In Nederland met zijn vanouds aan Frankrijk tegenovergestelde beleid gebeurt dus ook het tegenovergestelde. Geen probleem-Marokkaan zal trots verwijzen naar zijn Nederlanderschap. De Marokkaanse hangjongeren en vandalen eisen respect voor hun ‘Marokkaan-zijn’, omdat het Nederlandse beleid van integratie met behoud van eigen identiteit hun die richting op dwong. Het falen van het beleid wordt in de termen van het beleid gegoten. Dat bevordert tunnelvisie.

In Frankrijk wordt de godsdienst uit het probleem weggezuiverd. Dat is niet helemaal terecht, maar houdt het wel overzichtelijk. De onrust in de banlieues wordt veroorzaakt door maatschappelijke achterstand. Die achterstand moet worden ingelopen door scholing en banen. Punt. De kaart van culturele en religieuze discriminatie wordt niet gespeeld, al ligt hij altijd gesloten op tafel.

In Nederland wordt de godsdienst en de bijbehorende cultuur juist in het hart van het probleem geplaatst. Deelname aan de maatschappij via scholing en werk wordt belemmerd door weerstand tegen de culturele en religieuze achtergrond van allochtonen. Wanneer de angel van discriminatie is verwijderd en er ‘respect’ gaat heersen, verdwijnen de problemen als sneeuw voor de zon, is de implicatie.

Zowel in Frankrijk als in Nederland heeft het beleid gefaald. Dat komt door de vertroebelende rol van de godsdienst. In Frankrijk wordt die te veel weggemoffeld, in Nederland is die te prominent.

Het ontstaan van een middenklasse met Marokkaanse achtergrond is een bemoedigend verschijnsel. Er wordt niet over uitsluiting vanwege godsdienst gesproken. Cultuurverschillen zijn er, maar zijn geen issue meer. Zij beleven hun godsdienst privé zoals andere Nederlanders.

Godsdienst en een lage maatschappelijke status vormen echter een explosieve combinatie. Wie onderaan de maatschappelijke ladder bungelt, heeft op zichzelf al genoeg reden voor wrok. Hij is een ‘loser’. In onze westerse samenleving is de hiërarchie flexibel, de sociale mobiliteit vrij groot. Het is geen van God gegeven onwrikbaar systeem, waarin ieder zich schikt op de plaats die hem is toegewezen.

Wie bij ons niet meetelt, wordt met de vinger nagewezen. Hij is een nul. Hij heeft het niet gemaakt. Hij zoekt een argument dat hem van schuld bevrijdt en de schuld elders legt. Bij de anderen. Bij de maatschappij die hem uitsluit op grond van zijn religie en cultuur. Wie klemzit moet ergens zijn gevoel van eigenwaarde aan ontlenen. Godsdiensten speculeren graag op de wrok en machteloosheid van de kansarmen. Aan de andere kant beschouwt de autochtone bevolking een al te rigoureus beleden godsdienst als een weerstand tegen verandering en ontvoogding.

Het is een effectief wapen, slachtoffer te zijn van discriminatie op grond van godsdienst en afkomst. Dat raakt aan het hart van onze waarden. Daar hebben we niet van terug. Dat is het ergste wat we iemand aan kunnen doen. De anderen, de medeburgers, de bestuurders en politici, gevormd in tolerantie, dat wil zeggen in het sparen van elkaars levensovertuiging, lopen op eieren. Hun schuldgevoel – toch al sterk aanwezig in de christelijke cultuur – maakt overuren.

De wat minder weekhartigen zoals Wilders en de zijnen lossen het probleem op door het met kop en kont te willen exporteren, maar ook zij beschouwen de religie als kern van het probleem.

Hoe je het ook wendt of keert: in een hiërarchisch ingerichte maatschappij – en welke maatschappij is dat niet? – hangt er iemand aan de achterste tiet. Die zal ofwel knokken om hogerop te komen, ofwel moord en brand schreeuwen. Dat laatste is soms makkelijker dan het eerste. Het leidt tot geïnstitutionaliseerd slachtofferschap. Daar zit winst.

Godsdienst en cultuurverschil worden tot nu toe door alle partijen misbruikt om het zicht op een genuanceerde benadering van het probleem te benemen. De jonge Marokkaanse slopers van het Willem II-stadion zijn als normale voetbalvandalen uitgeweest op een rel, de moderne manier om overtollig testosteron kwijt te raken. Daarom betonen we de jongens het meeste ‘respect’ door ze als gewone Hollandse hooligans te beoordelen en te veroordelen.

Nelleke Noordervliet is schrijfster.