Buren

Met buren heb je iets of niets – daartussen ligt vooral onverschilligheid. Als je vaak verhuisd bent, heb je veel buren gehad. Van sommigen kun je je alleen nog de naam herinneren, en zelfs dat niet altijd. Anderen blijven de rest van je leven met je meelopen, als silhouetten aan de horizon – op grote afstand, maar toch nog net herkenbaar.

Laatst zagen we onze buren van dertig jaar geleden. Na enig twijfelend rekenen bleek het alweer vier jaar geleden te zijn dat we elkaar voor het laatst ontmoet hadden. Het maakte niets uit, we hernamen moeiteloos onze burenvriendschap – een woord dat niet voorkomt in het Nederlandse woordenboek.

Het woord buren kent in onze taal vooral negatieve uitbreidingen: burengerucht, burenruzie, burenoverlast. Ook buurvrouw is een tamelijk verdacht begrip – dit merkwaardig genoeg in tegenstelling tot buurman. Burenplicht en burendienst klinken wel wat positiever, maar hebben meer met verplichting dan met vriendschap te maken.

In het tv-programma Buren, dat Frans Bromet jarenlang voor de VPRO maakte, was het alleen maar oorlog tussen buren. De hel, dat waren de buurtjes. Ze sloegen elkaar de hersens in om een overhellende muur, een te hard blaffende hond of een afvoerpijp met etensluchtjes. Hun klachten en chagrijn vulden hele dossiers die ze van buiten kenden. Ze spraken al jaren niet meer met elkaar, ze waren voor elkaar glasachtige wezens geworden waar je alleen maar ‘doorheen keek’.

Wraak was het enige dat hen nog in leven hield.

Ik genoot zeer van dat programma, want niets is vermakelijker dan andermans gekoesterde verbittering, maar eenzijdig was het wél. Bromet zou het niet in zijn hoofd halen iemand te vragen: „Vertel me nou eens waarom je van andere buren wél houdt.” Dat zou saaie televisie worden, en daar houdt niemand van, zoals ze ook bij BNN met hun Grote Donorshow dezer dagen weer al te goed beseffen.

Toch is het een goede vraag. Dat merk je al aan je aarzeling bij het formuleren van een antwoord. Waar lag het precies aan dat je met de Jansens wél kon opschieten en met de Pietersens niet? Het blijkt niet goed onder woorden te brengen. Je kon qua interesses en achtergrond het meest met de Pietersens gemeen hebben, terwijl je toch meer van de Jansens hield. Misschien hadden de Jansens wel karaktereigenschappen waarvan je vond dat je ze zelf niet of onvoldoende bezat. Spontaniteit, openhartigheid, onbaatzuchtigheid, noem maar op.

Nee, de hel, dat zijn lang niet altijd de buurtjes. Als het erop aankomt, zijn er meer familiehellen dan burenhellen. De familiehel gaat over oud, nooit verwerkt zeer, over erfenissen en scheidingen. De haat is er een veenbrand die generaties blijft smeulen. Buren kun je ontlopen, familie blijft familie.

Goede buren blijven goede buren, ook als ze geen buren meer zijn. Na dertig jaar praat je nog steeds met elkaar alsof er niets veranderd is. Over katten en kinderen en alles wat daarbij hoort. Iedereen is ouder geworden, behalve jij en je buren. Er is veel gebeurd, maar tussen jullie juist niets. Er staat een stolp van tijdloosheid over jullie relatie. Daaronder nog steeds die twee huizen, naast elkaar.