Vervelende boswezens die helemaal niet bestaan

Wat doet een mens op de zoveelste Pinkster/Paas/Hemelvaartviering? Naar de film. Ik ging naar Pan’s Labyrinth, al ben ik tegen films over faunen, pratende bomen en andere vervelende boswezens die helemaal niet bestaan. Fantasy, ik heb er niks mee. Geef mij maar realisme. Het liefst moet een boek of film zich rond een keukentafel (die niet kan praten) afspelen. Met echte mensen, die echte dingen meemaken.

Liefhebbers van het fantasygenre verdenk ik er altijd van dat ze niet kunnen functioneren in de echte wereld, en daarom graag vluchten in films over trollen. Maar misschien is dat gemeen van mij, en ben ik een fantasieloos wezen.

Pan’s Labyrinth, was mij echter verzekerd, was geen fantasyfilm, maar juist een realistische film (over de inderdaad waargebeurde Spaanse Burgeroorlog), doorspekt met fantasy-elementjes die ontspruiten aan het brein van de hoofdpersoon, een klein meisje. Een paar fantasy-elementjes kon ik wel aan, besloot ik. Dat de film overal prijzen kreeg, was ook een goed teken.

Het bleek natuurlijk andersom te zijn. De film was één groot van faunen en reuzenkikkers doortrokken fantasiefestijn, met heel af en toe een Spaans Burgeroorlog-elementje.

Tot overmaat van ramp werd er poëtisch gedaan, een probleem waar veel fantasyfilms aan lijden. Zo had de verplichte faun ‘geen naam, maar wel duizend namen, die alleen de maan en de wind konden horen’. (Ik parafraseer de faun, maar je begrijpt wel wat ik bedoel.)

Afgezien van mijn gebruikelijke klachten over fantasyfilms (1. dat ik ze niet geloof omdat ze over boomstronken met oogjes gaan en 2. dat ze pathetisch-poëtisch zijn), leed deze film nog aan een ander euvel van het fantasygenre: alles was zo goor.

Er kon geen faun in beeld komen of er druppelde pus uit zijn poot. Zag je een kikker, dan kotste hij binnen no time een grote, lillende gele kwab uit. Zoomde de camera in op een onschuldige mierikswortel, dan veranderde die abrupt in een harige, krijsende baby. Waarom moet fantasy altijd zo vies zijn? In mijn fantasie is de wereld juist schoon en prettig.

De enige fantasy die ik trek, bedacht ik me na het zien van Pan’s Labyrinth, is die van Roald Dahl. Die is ook wel eens smerig, maar leuk-smerig, met griezels die wormen in elkaars spaghetti doen. En de fantasiewezens heten bij Roald Dahl gewoon allemaal Oempa Loempa. Niks geen faunen met duizend namen.