Poesvinder

De vraag was of ik op Tweede Pinksterdag naar De Nationale Huisdierendagen in de Amsterdamse RAI moest. Het regende al katten en honden, dus ik had er weinig trek in.

„Ik heb wel wat anders te doen”, zei ik tegen Anne, mijn poes.

„Doe het dan voor míj”, zei ze, „want ik kan er niet heen, ik mag er van jullie nooit uit.”

Dat was waar, en het schuldgevoel dat daarover bij mij altijd latent aanwezig is, dreef me naar mijn regenjas en paraplu.

In de RAI was de ontvangst allerminst juichend. Eerst moest ik 13,50 euro betalen – nog niet zo lang geleden zou dat bij zulke evenementen 13,50 gulden zijn geweest – en vervolgens kreeg ik twee identieke folders toegestopt over ‘huisdieren en kanker’.

In Nederland kunnen nog geen dieren met ernstige tumoren worden behandeld, de Stichting Docter-U wil daarin verandering brengen. Het is misschien een loffelijk streven, maar ik voelde me toch even een voetbaltoeschouwer die bij het betreden van het stadion ongevraagd voorlichting krijgt over geamputeerde benen: „U ziet straks wel die soepele dijen van Huntelaar, maar wat doen we als hij botkanker krijgt?”

Haastig ging ik op zoek naar positieve impulsen voor Anne, waarmee ik haar bestaan al op korte termijn kon verrijken. Ik viel in de armen van een joviale Brabantse meneer, wiens bedrijf Catrix een ‘revolutionair opbouwsysteem voor krabpalen’ heeft ontworpen. Het was een Nederlandse uitvinding, vertelde hij me, en ze dreven al handel met allerlei landen overzee, inclusief de Verenigde Staten. Op videobeelden zag ik een poes naar hartelust dollen in een grote stellage, opgebouwd uit met stof beklede pvc-buizen. Je kunt, net als bij lego, het bouwsel zo groot maken als je wilt, zonder schroeven en bouten.

„Dat is mijn poes”, zei de Brabantse meneer trots, „hij kan er met korte onderbrekingen makkelijk een uur in spelen. Ideaal voor binnenblijvende katten.”

Zo zag het er inderdaad uit, maar moest ik mijn huiskamer met zo’n vreemd gevaarte uitrusten? Ik besloot Anne nog even buiten deze discussie te houden en zocht koortsachtig verder. Daar stond Martin Gaus met dierenliefhebbers te praten. Helaas ging het alleen over honden, al vertelde Gaus wel een paar dingen die ook voor katten gelden. „Je krijgt de hond die je verdient”, zei hij tegen klagers. „Als honden steeds brommen en bijten, dus agressief zijn, dan komt dat omdat ze weten dat zij de baas zijn.”

Ik hoorde de eigenaresse van een kattenhotel in Berkel en Rodenrijs aan, die mijn poes een luxueus vakantieadres aanbood ‘in ruime privéverblijven’. De kat mag er door ‘een compleet gemeubileerd huis’ lopen alvorens zich in zijn eigen kamertje terug te trekken. Maar ik hoorde Anne al zeggen: „Dan kan ik toch net zo goed thuis blijven?”

Toen deed ik mijn belangrijkste ontdekking. Er blijkt een bedrijf te zijn, Petfinder geheten (www.petfinders.nl) , dat vermiste katten opspoort. Je kat krijgt een zendertje om zijn hals en als hij wegloopt, wordt hij met peilapparatuur – bereik vier vierkante kilometer – opgespoord. Het abonnement kost vijf euro per maand.

Dat zou revolutionair nieuws voor Anne zijn, maar moest ik haar over deze poesvinder vertellen? Ik keek wel uit. Ik mompelde iets over leuke krabpalen en begon pas aan dit stukje toen ze vredig sliep.