‘Pas achteraf weet je wat je met de film wil zeggen’

De Amerikaanse beeldend kunstenaar Julian Schnabel won zondag in Cannes de Gouden Palm voor beste regie voor zijn derde film ‘Le scaphandre et le papillon’.

„Zo’’, zegt Julian Schnabel bij aanvang van het gesprek tegen een groepje journalisten op het terras van het Martinez-hotel in Cannes, „,ik heb vandaag zoveel domme vragen gehoord dat ik nu precies ga vertellen waar ik zelf zin in heb. En als daar een antwoord op jullie vragen bij zit is dat mooi meegenomen en anders hebben jullie pech gehad.’’ „Bent u als regisseur ook zo?”, weet ik er nog net tussen te smokkelen. Achteraf een gelukkige vraag, want beeldend kunstenaar Julian Schnabel (1951) won afgelopen zondag in Cannes een Gouden Palm voor zijn derde speelfilm Le scaphandre et le papillon.

Schnabel verfilmde daarvoor het gelijknamige boek uit 1997 van de voormalige hoofdredacteur van Elle, Jean Dominique Bauby.

Bauby had na een beroerte en een periode in coma, het zogeheten ‘locked-in syndroom’: zijn lichaam was volledig verlamd, terwijl zijn hersenen intact waren gebleven. Alleen zijn linkeroog kon hij nog gebruiken en zodoende kon hij via het knipperen met de ogen nog steeds met de buitenwereld communiceren.

De gedachtewereld van een gehandicapte man verbeelden was een enorme uitdaging voor hem als regisseur, vertelt Schnabel. En nee, voegt hij daaraan toe, „toen ik aan de film begon wist ik helemaal nog niet precies wat en op welke manier ik het wilde zeggen. Heel veel scènes zijn door improvisatie ontstaan, of spontaan op de set, zoals de scènes in het zwembad of die waarin Jean-Do in zijn rolstoel op een rots in de zee zit. Er zijn foto’s dat ik acteur Matthieu Amalric op mijn nek door de branding heen draag. We hadden niets voorbereid. Pas achteraf weet je duidelijk onder woorden te brengen wat je met een film hebt willen bewerkstelligen.’’

Schnabel: „Net als mijn eerdere films én kunstenaarsportretten Basquiat (1996) en Before Night Falls (2000) gaat Le scaphandre et le papillon over de wording van een kunstenaar, over het creatieve proces. Toen Jean-Do eenmaal had ontdekt hoe hij met de buitenwereld kon communiceren, werd hij als kunstenaar geboren. Zelf zegt hij hierover: ‘Toen ik gezond was leefde ik niet. Alles was oppervlakkig. Pas toen ik terugkeerde, met het perspectief van een vlinder, werd ik herboren als oog.’ Toen pas kwamen zijn innerlijke leven en zijn reflexieve vermogens op gang.

„De stijl van de film is heel precies. Ik wil het publiek laten zien wat hij zag. De eerste twintig minuten zijn ‘out of focus’. Ik hing mijn bril over de lens en zei tegen cameraman Janusz Kaminski: zo wil ik het. Als je de camera beweegt is het soms scherp en soms onscherp. Om diezelfde reden had de set een niet-kloppend perspectief. Ik heb de film gemaakt als een schilderij. Ik heb gewerkt met kleur en textuur en perspectief en zo werd het een schilderij van zijn wereld.’’