Matinee laat al wat horen van Janácek op Holland Festival

Concert: Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Jonathan Nott. Gehoord: 26/5 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 29/5 20 uur.

Schrille klanken voerden de boventoon tijdens de ZaterdagMatinee, de laatste in een reeks die werd gewijd aan de vorig jaar overleden componist György Ligeti. Zowel in de orkestsuite uit Janáceks opera Uit een Dodenhuis als in Stravinsky’s Symphonies of Wind Instruments overheerste een kale, gure dood – met een macabere soloviool, kettingen en ratels bij Janácek, en een door merg een been snerpende klarinet bij Stravinsky.

De werken combineerden ook goed door hun vergelijkbare opeenvolging van verschillende muzikale ontwikkelingen. Als in een film die tussen twee zich onafhankelijk ontwikkelende verhaallijnen heen- en weer schakelt. Niet toevallig is bij Stravinsky de vergelijking met de montageprincipes van zijn tijdgenoot, de cineast Sergej Eisenstein, al vaak gemaakt.

Janácek baseerde zijn opera op Dostojevski’s beschrijving van de lotgevallen in een Siberisch gevangenenkamp. Dirigent Jonathan Nott slaagde erin om, ook in dit instrumentale uittreksel, de beklemming en ijzige kou voelbaar te maken, maar ook de haast orgastische triomf wanneer – in de opera – één van de gevangen wordt vrijgelaten. Het was een prikkelende voorbeschouwing op de geënsceneerde productie van de volledige opera, waarmee vanavond het Holland Festival opent, en die tot zaterdag te horen is.

Moeizamer was het Pianoconcert in C, KV 503 van Mozart met Ivan Moravec achter de vleugel. In het eerste deel, ‘Allegro maestoso’ waren Nott en Moravec het niet eens over het tempo, met een onbedoeld onrustig resultaat. Moravec probeerde Nott nog mee te krijgen door met een hak luid de maat te stampen, maar het mocht niet baten. Het gebrek aan concentratie werkte ook nog door in het ‘Andante’. Alleen het afsluitende ‘Allegretto’ was communicatief, met Moravec eindelijk als subtiele, classicistische poëet.

Magistraal klonk Ligeti’s Requiem (1963-65), dat gorgelend uit de onderwereld begint. Het Groot Omroepkoor excelleerde in de complexe toonclusters en breed aanzwellende klankwolken, waaruit zich soms ineens een verstaanbare zin losmaakt. Vooral het ‘Lacrimosa’ had een zinderende spanning, ook dankzij de bij vlagen hyperexpressieve monique Krüs en Margriet van Reisen.