Israël-Palestina: één staat, twee nationaliteiten

In juni is het veertig jaar geleden dat Israël de huidige Palestijnse gebieden bezette. Het Israëlisch-Palestijnse conflict dat zich sindsdien verhevigde, kan praktisch en moreel slechts worden opgelost door de vestiging van één rechtsstaat, waarin joden en Palestijnen gelijk zijn, vindt Lodewijk van Oord.

Het Arabisch-Israëlische conflict over Palestina is in wezen een twist over onroerend goed. Twee nationale bewegingen claimen beide een exclusief recht over het gebied tussen de rivier de Jordaan en de Middellandse Zee. Beide bewegingen onderbouwen hun claims met een eigen versie van de geschiedenis.

Het zionisme, de joodse nationale beweging, ontwikkelde zich eind negentiende eeuw in Midden-Europa. Seculiere joden realiseerden zich dat verregaande assimilatie ze niet zou beschermen tegen antisemitisme. Verlicht door de golven van nationalisme die het Europese continent teisterden, ontwikkelden zij de gedachte dat het joodse volk een eigen staat verdiende. Al snel richtte de beweging zich op de kolonisatie van Palestina. „Wij zouden een voorpost van de beschaving tegen de barbarij vormen”, schreef Theodor Herzl in De Jodenstaat.

Die ‘barbaren’, de Arabische bevolking van Palestina, keurden het zionistische project vanzelfsprekend af. Zij begonnen in deze periode zelf ook een nationale identiteit te ontwikkelen, waarbij ze zich steeds meer als ‘Palestijnen’ gingen identificeren.

Met de stichting van de staat Israël in 1948 kwam de zionistische droom ten dele uit en werd de Palestijnse nationale droom grotendeels vernietigd. De staat Israël werd gevestigd op driekwart van het toenmalige Palestina. De Palestijnen bleven zonder leiderschap over in de restgebieden, de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, of als vluchtelingen in de omringende Arabische landen. Repatriëring van deze vluchtelingen en hun nageslacht is nog altijd een van de meest gevoelige twistpunten in dit conflict.

De eerste serieuze kans op verdere expansie kwam in 1967, toen Israël de retorische provocaties van de Egyptische president Nasser serieus nam en overging tot een preventieve aanval. In een kleine week veroverde het de Sinaïwoestijn, de Hoogvlakte van Golan, de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever. Israël beschikte nu over ‘veilige grenzen’, maar haalde ook een gigantisch demografisch vraagstuk binnen. Wat moest het doen met de Palestijnen in de bezette gebieden? De meeste Palestijnen bleven waar ze waren. Oost-Jeruzalem en de Golan werden geannexeerd, de Sinaïwoestijn werd teruggegeven aan Egypte. De Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever bleven bezet gebied onder militair bestuur.

De wereldopinie werd zich bewust van de destructieve gevolgen van de Israëlische bezetting toen in 1987 de Palestijnse intifada uitbrak. De internationale diplomatie begon in beweging te komen. Steeds meer politici spraken zich uit voor een tweestatenoplossing, waarbij de oprichting van een Palestijnse staat in Gaza en de Westelijke Jordaanoever centraal stond. En nog steeds wordt de stichting van een Palestijnse staat in de bezette gebieden door velen beschouwd als het enige wenselijke eindpunt van dit slepende conflict.

Deze gedachte is niet nieuw. Zeventig jaar geleden stelde een Britse koninklijke commissie al voor om het land op te delen in een joodse en een Arabische staat, en kort voor de stichting van de staat Israël probeerden de Verenigde Naties de delingsgedachte nieuw leven in te blazen. Nog nooit is het mogelijk gebleken om een delingsplan te ontwikkelen dat voor beide partijen acceptabel is. En inmiddels zijn er veel ‘feiten op de grond’ bijgekomen die de oprichting van een levensvatbare Palestijnse staat in de weg staan.

Onmiddellijk na de Zesdaagse Oorlog van 1967 begonnen de Israëlische autoriteiten met de bouw van joodse nederzettingen in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, een schending van de Vierde Geneefse Conventie die stelt dat het verplaatsen van de eigen burgerbevolking naar bezet gebied niet is toegestaan. Het nederzettingenbeleid werd geïntensiveerd toen de rechtse Likud regering onder leiding van Menachem Begin in 1977 aan de macht kwam. Minister Ariel Sharon leidde de campagne tot ‘judaïsering’ van de Westelijke Jordaanoever.

Er is veel onduidelijkheid over deze nederzettingen. Velen denken dat ze niet meer voorstellen dan een klein groepje caravans op een heuveltop waarin enkele ultrareligieuze families bivakkeren. Zulke nederzettingen bestaan inderdaad, maar de meeste hebben meer weg van uitgestrekte en gefortificeerde dorpen en steden.

Inmiddels wonen bijna 450.000 joodse Israëliërs in bezet Palestijns gebied. De internationale gemeenschap heeft de bouw van nederzettingen herhaaldelijk veroordeeld en Israël heeft af en toe beloofd de bouw op te schorten. Maar juist in die periodes waarin Israël en de Palestijnen voortgang leken te boeken intensiveerde Israël de bouw van deze woonkernen. De constellatie van Israëlische nederzettingen, militaire veiligheidszones, controleposten en verbindingswegen hebben van de Palestijnse gebieden een gevangenis gemaakt waarin met geen mogelijkheid een levensvatbare staat kan verrijzen. De snippers land die overblijven zijn zo gefragmenteerd dat zelfs Yasser Arafat er in 2000 geen genoegen mee kon nemen, hoezeer hij er ook van droomde om president te zijn van een echt land. Het Israëlische beleid op de Westelijke Jordaanoever heeft de tweestatenoplossing de das om gedaan. De bouw van nederzettingen gaat gestaag door, vooral aan de oostelijke randen van Jeruzalem.

Het tij leek even te keren toen premier Sharon eind 2003 besloot het Israëlische leger terug te trekken uit de Gazastrook en de nederzettingen aldaar te ontmantelen. Optimisten zagen dit als een teken dat de Israëlische positie aan het veranderen was, en dat wat in Gaza gebeurde wellicht ook op de Westelijke Jordaanoever mogelijk was. Israël verwijderde inderdaad 2.000 huizen van joodse kolonisten. In hetzelfde jaar werden op de Westelijke Jordaanoever 6.400 nieuwe woningen opgeleverd waar naar schatting 14.000 Israëliërs introkken. Onder hen velen die net uit Gaza vertrokken waren. Het ontmantelen van de relatief kleine nederzettingen in Gaza is op geen enkele manier te vergelijken met een eventuele ontruiming van hele steden in de Westelijke Jordaanoever. Die nederzettingen zijn permanent en de gedachte dat ze op een dag zullen verdwijnen is naïef.

Een ander cruciaal zwaktebod van de tweestatengedachte is dat het geen oplossing biedt voor de meeste heikele twistpunten: het vluchtelingenvraagstuk en de status van Jeruzalem. In Israëlische, Palestijnse en Amerikaanse kringen wordt daarom inmiddels openlijk nagedacht over een alternatief model: Israël en Palestina als binationale eenheidsstaat. Er is een stortvloed van boeken en artikelen op gang gekomen waarin de zogeheten ‘éénstaatoplossing’ als enig moreel en praktisch eindpunt van het conflict wordt beschouwd.

Aanhangers van de éénstaatoplossing debatteren onderling over de exacte politieke inrichting die de voorkeur verdient. Sommigen spreken zich uit voor een federaal systeem, anderen denken aan cantons, aan een confederatie of een verzuilingsmodel. Waar ze het over eens zijn is dat een vereniging van Israël en de Palestijnse gebieden moet leiden tot een binationale staat waarin zowel joden als Palestijnen volwaardige burgerrechten bezitten.

De binationale optie verdient aanbeveling omdat het een oplossing biedt voor de grootste twistpunten. De nederzettingen hoeven niet ontmanteld te worden, Jeruzalem kan als ongedeelde stad blijven bestaan en de meeste vluchtelingen kunnen terug naar de gebieden waaruit ze verdreven waren, gebieden die vandaag de dag vaak nog braak liggen. Bovendien kan Israëls ‘recht op terugkeer’ voor de internationale joodse gemeenschap gehandhaafd blijven.

De aanhangers van het binationale model zijn niet naïef. Ze realiseren zich als geen ander dat de obstakels voor een dergelijke staat angstaanjagend groot zijn. Hoop putten ze uit ontwikkelingen in Noord-Ierland en Zuid-Afrika. Vooral het overgangsproces van apartheidsstaat naar democratie onder De Klerk en Mandela in Zuid-Afrika vormt een rijke inspiratiebron.

Toonaangevend in dit debat is het vorig jaar verschenen One Country van de Palestijns-Amerikaanse publicist Ali Abunimah. Zijn buitengewone empathie voor de angsten en dromen van het joodse volk is opmerkelijk voor een zoon van Palestijnse vluchtelingen. Uiteindelijk, betoogt Abunimah, kan alleen een verenigd Israël-Palestina de zionistische droom van een veilig oord voor het joodse volk verwezenlijken. Alhoewel de joden in een binationale staat wellicht geen machtsmonopolie meer bezitten, zullen ze wel vrij zijn om zich te ontplooien in heel Israël. Een binationale staat transformeert hen van militaire bezetters tot normale burgers.

Ook Abunimah besteedt aandacht aan het Zuid-Afrikaanse precedent. „Wat Palestijnen kunnen leren van Zuid-Afrika”, schrijft hij, „is dat de belofte van een toekomst van toenadering in plaats van geweld een onrechtvaardig systeem van zijn draagvlak kan ontdoen. Dergelijke systemen zijn gebaseerd op angst – in het geval van Israël en Zuid-Afrika de angst om vernietigd te worden.” Abunimah gelooft dan ook dat vooral het Palestijnse leiderschap aan zet is. De Palestijnen moeten, net als Mandela, de hand reiken aan hun oppermachtige maar angstige joodse buren en hen laten zien dat er met de Palestijnen samen te leven valt.

De obstakels zijn enorm, maar toch zijn er trends te ontdekken die voor de binationale optie hoopgevend zijn. Opiniepeilingen laten zien dat steeds meer Palestijnen de binationale optie steunen. Het verzet tegen Israël lijkt de laatste jaren een ander karakter te krijgen. Streden de Palestijnen eerst met name tegen de Israëlische bezetting, nu lijken ze zich vooral te richten op het verkrijgen van burgerrechten. Zoals een achttienjarige Palestijn in Ramallah mij vertelde: „Wat ons betreft annexeert Israël al ons gebied en geven ze ons een paspoort. We willen net als iedereen vrijheid, leven in een rechtsstaat. Dat is belangrijker dan een eigen staat.”

Het grootste obstakel is de Israëlische publieke opinie, die vooralsnog weinig ziet in een staat waarin de joden wellicht geen meerderheid meer vormen. Het verlies van het machtsmonopolie staat voor velen gelijk aan zelfmoord. Toch moet gezegd worden dat de binationale optie in eerste instantie een joodse uitvinding is. Vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw pleitten joodse intellectuelen als Martin Buber en Judah Magnes voor de oprichting van een binationale staat die „absolute politieke gelijkheid” zou garanderen aan „twee cultureel autonome volken.” Toen waren het vooral de Palestijnen die er niets van moesten hebben, aangezien de joodse populatie in Palestina een zeer kleine minderheid vormde.

Pas als het politieke establishment in Israël gaat beseffen dat de overtuiging van een noodzakelijke joodse meerderheid onhoudbaar is kan serieus aan een éénstaatoplossing gewerkt worden. Om dit te bereiken is in Israël een mentale revolutie nodig. Toch is er ook reden om hoopvol te zijn. In een wereld vol globalisering en secularisering is ook de Israëlische samenleving snel aan het veranderen. Migratie van joden naar Israël stagneert. 2007 zou weleens het jaar kunnen worden waarin er voor het eerst meer joodse Israëliërs het land verlaten dan er binnenkomen. De jongere generatie heeft ook duidelijk minder op met de zionistische staatsideologie. Zij zien zichzelf eerder als individuen in een liberale samenleving dan als leden van een etnische groep. Academici spreken daarom al van een postzionistisch tijdperk waarin Israël het etnisch tribalisme achter zich zal laten.

In 2003 bezocht New York Times columnist Thomas Friedman de Westelijke Jordaanoever en zag de muur die Israël om de Palestijnse stad Qalqilya bouwde. „Deze muur doodt de tweestatenoplossing. De Palestijnen zullen hierdoor in de loop van de tijd een éénstaatoplossing gaan eisen waarin zij en de joden gelijke rechten hebben”, concludeerde hij. „Als Amerikaanse joden het nu al moeilijk vinden om Israël te verdedigen, stel je dan eens voor hoe moeilijk het wordt om het principe van one man, one vote af te wijzen.” Friedman maakte zich zorgen over deze ontwikkeling. Voor aanhangers van de binationale gedachte is Friedmans angstbeeld juist bemoedigend. Een rechtsstaat in Israël-Palestina waarin joden en Palestijnen gelijk zijn, is uiteindelijk de enige praktische en morele oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict.

Lodewijk van Oord is docent geschiedenis van het Midden-Oosten en Conflictsituaties aan het Atlantic College in Groot-Brittannië.