Een beter milieu stopt niet bij de landsgrens

Bij zijn streven naar een beter milieu, richt het kabinet zich vooral op hernieuwbare energie in eigen land.

We kunnen beter China op een schonere koers brengen.

Het kabinet streeft een ambitieus klimaatbeleid na. Dat valt te prijzen. Maar uit het voorgenomen beleid blijkt een voorliefde voor hernieuwbare energie in eigen land. Voor de beperking van de mondiale CO2-uitstoot is dat weinig effectief. Het effect van de Nederlandse inspanningen zou veel groter zijn als we ons zouden richten op internationaal dringende knelpunten.

Om de risico’s van klimaatverandering beperkt te houden, moet de toename van mondiale CO2-emissies uiterlijk 2025 omgebogen zijn in een daling. De honderden nieuwe elektriciteitscentrales die wereldwijd gebouwd gaan worden – en die elk minstens vijftig jaar meegaan – zijn hierbij van cruciaal belang. Het zal veel uitmaken of deze centrales verspillend omspringen met brandstof of juist zuinig zijn. Nog beter is het als ze helemaal geen CO2 uitstoten.

De meeste centrales worden gebouwd in India, China, Oost-Europa en de Verenigde Staten. Voor die landen zijn alternatieven als ‘zon’, ‘wind’ en ‘biomassa’ weinig aantrekkelijk omdat ze over enorme voorraden goedkope kolen beschikken. Als die kolencentrales niet zo efficiënt mogelijk worden gemaakt, en niet in staat zijn tot CO2-afvang en -opslag, kunnen we een mondiale ombuiging van de CO2-uitstoot wel vergeten.

Zoals gezegd, de technologie van zero emission-kolencentrales ligt binnen bereik. Hierbij wordt de gevormde CO2 afgevangen en opgeslagen in geologische formaties of chemisch gebonden aan kalkhoudend gesteente. Als zulke centrales gaan draaien op biomassa in combinatie met CO2-opslag, wordt het zelfs mogelijk CO2 aan de atmosfeer te onttrekken!

Zo’n scenario is alleen haalbaar als India en China via technologische en financiële samenwerking tijdig op een klimaatvriendelijke koers worden gebracht. Door hen te helpen met de bouw van zero emission-kolencentrales wordt het klimaat een veel grotere dienst bewezen dan met duurzame energie in eigen land.

De focus van het kabinet op de Nederlandse energie-efficiency is extra merkwaardig, omdat in Nederland het aandeel van duurzame energie onmogelijk op een verantwoorde manier op te krikken valt naar 20 procent in 2020. Zonne-energie is nog veel te duur. Windmolens op zee zijn dat ook, en op land stuiten ze op verzet wegens landschapsschade. Bovendien, hoe meer windenergie aan het elektriciteitsnet wordt geleverd, des te meer de stabiliteit daarvan in gevaar komt en des te groter de behoefte aan back-up van klassieke centrales.

Ook voor echte biomassacentrales is de tijd nog niet rijp, dus die optie blijft voorlopig beperkt tot bijstoken in fossiele centrales. Voor een geforceerde uitbouw van biomassa moet een enorme import op gang gebracht worden met veel risico’s voor natuur en voedselproductie in ontwikkelingslanden.

Duurzame energie kunnen we beter op Europese schaal uitbouwen: elke lidstaat naar zijn eigen mogelijkheden. Oostenrijk heeft waterkracht, Zweden uitgestrekte bossen, Oost-Europa ruimte voor energiegewassen.

Ook als het gaat om efficiënter energieverbruik richt Nederland zich te veel op zichzelf. Het tempo van efficiëntieverhoging van energieverbruik ligt hier al relatief hoog. Een verdubbeling van dat tempo – men streeft naar 2 procent per jaar – is te veel van het goede. Bij een jaarlijks groeitempo van meer dan 1,7 procent schieten de extra kosten omhoog met honderden miljoenen euro per jaar. Buiten Nederland is per euro ook op dat gebied veel meer voor ‘het klimaat’ te bereiken.

Ten slotte blijven in het coalitieakkoord, hoe dringend het klimaatprobleem ook is, nieuwe kerncentrales taboe, ongeacht hun intrinsieke veiligheid en kosteneffectiviteit. Weliswaar mag de kerncentrale in Borsele open blijven, maar over import van atoomstroom wordt gezwegen. Het kabinet hoort hierover een actuele afweging te maken.

De effectiviteit van ons klimaatbeleid heeft erg te lijden van de provincialistische keuzes. Met de mondiale kraan wijd open wordt dat later duur dweilen.

Pieter van Driel is zelfstandig onderzoeker. Hij schreef mee aan het WRR-advies over Klimaatstrategie 2006.

Op wrr.nl staat het WRR-advies uit 2006: ‘Klimaatstrategie, tussen ambitie en realisme’