Comfortabel pluche of wrede eisen aan het publiek

Vanavond begint het Holland Festival. Over twee weken begint Oerol.

Hopelijk krijgen we er een belatafelde, mesjokke voorstelling te zien.

Gaat de koningin dit jaar weer naar de opening van het Holland Festival? Ik weet het niet. Hoe dan ook, mij best. Ik zal Oerol doen.

Oerol? Ja, Oerol. Dat festival op het waddeneiland Terschelling, waarover je vaak hoort: ‘Daar moet ik toch eens heen.’

Maar wacht, ik heb nog twee weken voor Oerol begint. En ik wil ook naar het Holland Festival. Zoals elk jaar ontvouwt zich, in de Amsterdamse theater- en concertzalen van Muziektheater tot Schouwburg, een programma vol culturele helden van internationale allure. Dit jaar zijn dat onder anderen de regisseur Patrice Chéreau, de dirigent Pierre Boulez, de componist Philip Glass, de schrijfster Elfriede Jelinek, de theatermaker Ivo van Hove – ze staan borg voor jaloersmakende artistieke kwaliteit, en dat geldt voor de meeste namen op het programma.

Alles wat het Holland Festival dit jaar aanbiedt is uitmuntend, verwacht ik op grond van het programmaboek. Je zou bijna hopen dat een van al die helden komt met een onverwacht belatafelde, mesjokke voorstelling. Iets waar je duizelig van wordt, of woedend. Of voor mijn part diep teleurgesteld, omdat je niet krijgt waar je voor kwam.

Weinig kans. Dit zit goed, risico’s worden er niet gelopen, het publiek krijgt waar het voor betaalt.

Dat is verboden noch verkeerd, maar ook het Holland Festival kan terugkijken op legendarische gebeurtenissen. De voorstelling Walzer (1982) van Pina Bausch was krankzinnig en een keerpunt in de carrière van dit dansfenomeen – en Nederland was erbij dankzij het Holland Festival. Eerder, in 1969, voerde de politieke opera Reconstructie een „guerrilla tegen de uitbuiting van veel mensen door weinig mensen”. Dat gebeurde onder de paraplu van het Holland Festival en het was goed voor een schandaal. En er is meer, maar van een hele tijd geleden.

Inmiddels is het Holland Festival het rumoer in de programmering zelf gaan zoeken. Het feit dat er een opera van Peter Sellars te zien is, is het evenement. Het samensmeden van drie Shakespearestukken tot de marathonvoorstelling Romeinse tragedies, dàt is het evenement. Maar we zijn tegenwoordig te veel aan zulke evenementen gewend geraakt om daar nog rumoer in te zien. Vroeger was dat wel zo. In 1979 vonden Holland Festivalgangers het nog een kick dat de komiek Danny Kaye het Concertgebouworkest dirigeerde. Als het Festival nu de komiek Rowan Atkinson zover zou krijgen om hetzelfde te doen in zijn rol van Mr. Bean, dan zouden we dat geamuseerd bijwonen, maar een kick... nou nee. Daarvoor komen er te vaak beroemdheden deze kant op.

Het Holland Festival ontstond in 1948 als een reactie op de bezettingstijd. De hongerwinter was voorbij, er werd gehongerd naar uitgaan en naar podiumkunsten en het Holland Festival stilde die honger met delicate brokjes.

En eigenlijk stelt het Holland Festival zijn programma samen alsof die honger nog altijd dezelfde is. Er wordt erkende roem geboden naast minder bekende elite-glamour – lekker belangrijk, van onbesproken kwaliteit, en daarbij doet het festival of Parijs, Berlijn, Wenen in verre streken liggen.

Ook Oerol ontstond, in 1982, als reactie op gebrek. Het werd bedacht door Joop Mulder, de Terschellinger kroegbaas die van zijn café een cultureel podium voor de lange winters had gemaakt. Oerol wordt niet voor niets gesteund door de VVV en de lokale winkeliersvereniging: iedereen zag mogelijkheden in de honger naar actie op Terschelling, waar het half juni wel volop zomer is, maar het toeristenseizoen nog niet begonnen.

Oerol poseert als vrijbuiter, en inderdaad, het presenteert ruig ogend straattheater in vele talen. Maar anarchie wordt niet geduld. Niet ieder willekeurig levend standbeeld is welkom, er is sprake van strenge selectie.

Vergeet die straat-acts. Die zijn leuk, maar het groot opgezette locatietheater is het anker van Oerol. En ook al is de programmering riskanter, net zo goed als het Holland Festival speelt Oerol op zeker met erkende grote helden, bekend bij een ander publiek, maar niet minder gerenommeerd.

Het sterke punt van Oerol heet Joop Mulder. Dit jaar is hij er voor het eerst niet bij – nu kunnen we zijn belang ontdekken. Want Oerol is altijd van hem geweest. Zijn oog voor talent en zijn neiging tot het buitenissige hebben Oerol gemaakt. Waar het Holland Festival zich onder opeenvolgende directeuren geroepen voelde om mee te varen op de modieuze eisen die de verschillende staatssecretarissen verbonden aan subsidie, reageerde Mulder steeds autonoom. Aandacht voor allochtone kunst? Hij programmeerde altijd al allochtoon talent uit alle windstreken. De jeugd moet meer betrokken worden? Jonge groepen werden altijd al door hem gesteund en popmuziek klonk er altijd al aan het Groene Strand. Als hier een strategie aan ten grondslag lag, dan liep hij daar niet mee te koop. Het Holland Festival beet juist op deze gedwongen voorkeuren zijn tanden stuk met krampachtige programmering.

Een festival is een samenzwering. Natuurlijk, het gaat de bezoekers om de kwaliteit van het gebodene. Maar vlak niet uit hoeveel een festival bijdraagt aan hun identiteit: ik was erbij, dat gevoel. Dat bevorder je door evenementen van onbesproken aantrekkingskracht te bieden, maar daarmee ben je er nog niet. Het hedendaagse publiek is veeleisend.

Je kunt volhouden dat het locatietheater van Oerol het altijd ‘wint’ van een stuk in een schouwburgzaal. De strijd van spelers met de zee of een ondergaande zon heeft een oneerlijke voorsprong op een concert in een concertzaal, hoe weergaloos ook. Want daar moet het publiek zijn eigen opwinding organiseren.

Maar er is meer. Het Holland Festival legt het publiek in de watten, Oerol stelt wrede eisen. Wie Oerol bezoekt kan comfortabel pluche vergeten en een optimale akoestiek ook. Het publiek moet naar een waddeneiland, waar het zich, weer of geen weer, alleen per fiets kan verplaatsen van de ene voorstelling naar de andere. Het zal daar in het gras, in het zand of op een baal hooi moeten zitten en loopt dan ook nog de kans dat een voorstelling al die moeite niet waard was. Of juist ten volle, zoals Op hoop van zegen met Kniertje teut in de intimiteit van een boerenschuur, of Peer Gynt als verleidelijk spektakel breeduit onderaan de duinen terwijl de duisternis invalt.

Vaak is het afzien en dat schept een ongekende gedeelde ervaring. Onderling, en met de theatermakers. Zo leed het publiek op Oerol onder het striemende waaizand bij Becketts Eindspel. Maar het zag in die helse duinpan ook acteur Jacob Derwig en zijn collega’s tegen die zandstorm vechten. Men zat in hetzelfde schuitje, en daarmee werd de voorstelling eens zo indrukwekkend.

Het Holland Festival mikt hoog en doet dat voor een gretig publiek. Maar waar is de samenzwering.

Joyce Roodnat was tien jaar chef van de kunstredactie van NRC Handelsblad. Zij bezoekt het Holland Festival sinds 1981 en Oerol sinds 1995.

Lees meer over het Holland Festival in het boek Een Nederlands wonder. Vijftig jaar Holland Festival van Jessica Voeten, Walburg Pers, 1997