Zonder debat went iedereen alvast aan een wereld zonder commissiekunst

Zelfs in Frankrijk wordt gedebatteerd over het Amerikaanse mecenaat, ontdekt Maarten Huygen.

De vrije markt blijft wat ordinair voor de aankomend beeldend kunstenaar. Een beeldhouwwerk verkopen? „Dat legt een soort van druk op je van iets moeten”, zei de vierdejaars Zwolse studente beeldhouwkunst Alexandra Klein, die nog witte vegen had op haar spijkerbroek van haar werk van zojuist. Maar moeten we niet allemaal? We zaten in een hoge witte zaal met door rolgordijnen getemperd buitenlicht te wachten op de sprekers van een forum over de vrijheid van de creatief ondernemer in de Zwolse academie voor beeldende kunsten. Een modieus onderwerp. In de gangen had ik bontgekleurde schilderingen en sculpturen gezien die hun bestemming nog moesten vinden. Het zijn ook oefenstukken. De helft van de afgestudeerden in het zelfstandig kunstenaarschap doet later iets anders.

Cultureel ondernemen is actueel omdat de subsidie door commissies met al de intriges, consensusdwang en correcte waan van de dag op zijn einde loopt. Zelfs de directeuren van de Mondriaanstichting bekritiseerden onlangs in een zelf uitgegeven bundel hun eigen beoordelingscommissies. Dat zijn vaakkleine sociëteiten voor wederzijdse bewondering. Commissieleden geven subsidie en ontvangen die soms en maken gezamenlijk keuzes waar ze zelf niet in geloven. Soms krijgen rijke buitenlandse instellingen subsidie voor het tentoonstellen van Nederlanders. Is dat allemaal nog nodig nu steeds meer geld van particulieren zijn weg vindt naar beeldende kunst? Er wordt steedsmeer kunst gekocht al is het minder dan in veel andere rijke landen.

Een ruime meerderheid van de 31 andere auteurs in de Mondriaanbundel, waaronder verbaasde buitenlandse kunstenaars, knikte ijverig met de directeuren mee. De stichting wil ‘het debat op gang’ brengen, maar het lijkt alsof er op zijn Nederlands op slag nieuwe consensus ontstaat, zonder discussie. Wacht maar tot de eerste ingreep van de minister.

In Frankrijk vindt wel debat plaats na het verschijnen van een lijvige analyse van de schrijver en tijdelijk cultureel attaché in Boston, Frédéric Martel, over kunstfinanciering in Amerika. De titel, De la culture en Amérique herinnert aan het kritisch bewonderende meesterwerk van de negentiende-eeuwse denker Alexis de Tocqueville, De la démocratie en Amérique. Frankrijk wordt minder anti-Amerikaans, want het boek van Martel werd daar met meer enthousiasme begroet dan een paar jaar eerder een boek van Annie Cohen Solal, die als tijdelijk cultureel attaché in New York had onderzocht hoe het middelpunt van de beeldende kunst zich begin twintigste eeuw had verplaatst van het centralistische Parijs naar het open New York. Martel vat de essentie bondig samen: „Als in de Verenigde Staten nergens een ministerie van Cultuur is, dan is het culturele leven overal.”

Amerika telt verhoudingsgewijs evenveel kunstenaars als Frankrijk. De kunsten worden in Amerika gesteund door donateurs, rijke filantropen, stichtingen, universiteiten, verenigingen met fiscale aftrekregelingen, deels door de vrije markt en zeer deels door overheden. In ambtelijk Nederlands vertaald: of iets maatschappelijk relevant is, wordt niet bepaald door een commissie, maar door de maatschappij zelf. Die moet niet worden verward met de vrije markt. De kunstenaar die zich daarop richt en niet op procedures van overheidscommissies, wordt in zekere zin ondernemer.

Hebben deze studenten wel zin in ondernemen? „Het is leuk om iets te maken en ik wil het ook laten zien. Kopen is dan mooi meegenomen”, zei beeldhouwstudente Klein. En zij is niet de enige, want haar klasgenoten denken er volgens haar precies zo over.

Kim Habers naast haar knikte ijverig mee. „Ik ga misschien subsidie aanvragen om voor mezelf te werken”, zei ze. Ze hoopt op het per commissie uitgedeelde startersstipendium. Dat stelt kunstenaars in staat om vrij te werken zonder dat iemand om het resultaat heeft gevraagd. De tekeningen van Habers zijn te groot voor de huiskamer en passen eigenlijk alleen in een zaal, een galerie, een museum, kortom een gesubsidieerde instelling. Ze willen allebei een atelier en later hopelijk een galerie die hen exposeert. En ik denk terug aan het verdwenen tijdperk toen iedereen die zich kunstenaar noemde, een uitkering kon krijgen. Mensen die ‘iets creatiefs’ deden, vulden de kelders van overheidsgebouwen met kladschilderijen en broddelsculpturen. Ongevraagd en ongezien. Soms hingen er een paar in een overheidskantoor. De onverschilligheid van de maker was er vaak aan af te zien. Voor de opvolger van de BKR-uitkeringsregeling, de zogenoemde WIK, is geen tegenprestatie vereist maar de uitkering duurt maximaal vier jaar. De mentaliteit van kunstenaars verandert. Twee pas afgestudeerde oud-studentes die ik sprak, wilden van geen subsidie weten. De derde, flink wat ouder, vond een stipendium nog onmisbaar. Dat was een generatieverschil, constateerden ze alle drie.

De witbestofte Alexandra Klein rekent niet op subsidie. Zij gaat zelf haar artistieke autonomie kopen, met een halve baan als automonteur. Een garage heeft haar al aangenomen. Beide vrouwen zouden graag in opdracht willen werken, hetgeen een inperking is van de vrijheid. Maar dat vinden ze juist fijn. „Dat kan verrijkend zijn, want je maakt keuzes”, zei Klein. Beter gezegd, er worden keuzes voor hen gemaakt door de opdrachtgever, net als op school.

Cultureel econoom Arjo Klamer heeft vele jaren in Amerika gedoceerd en hij sprak als enige over het ondernemen. Volgens Klamer heeft een kunstwerk pas waarde als het in het gesprek is gebracht, als anderen het erover hebben. „Er moet gewerkt worden om die aandacht te krijgen en die aandacht te houden”, zegt hij.

Klamer onderscheidde naast de overheid van de commissies en de markt een ‘derde sfeer’ van mensen in instellingen die de kunstenaars steunen. Die derde sfeer die door Martel werd beschreven, is in Nederland onderontwikkeld, maar groeit. Nu al leren studenten op de Zwolse academie ook hun werk te presenteren en erover te praten. Onartistiek misschien, maar het publiek heeft er meer aan dan aan bedrevenheid in commissiepolitiek.