Wroeging

Op de dag dat Erik Zabel voor de Duitse tv-camera’s zat te huilen, won Oscar Sevilla een bergetappe in de Ronde van Catalonië. Zabel in het boetekleed, Sevilla tussen bloemenmeisjes: de omgekeerde wereld. Oscar Sevilla is nog steeds een Fuentes-verdachte.

Alles is omgekeerd in de wielersport: leugen en geluk, verraad en respect. Je ziet een renner met wangen als bloesem, gezondheid te koop zou je denken, maar thuis, op zolder, wemelt het van oude spuiten groeihormoon. Je denkt dat je voor een joch staat, onschuldiger dan wijwater, maar een zomer later blijkt dat hij met bloedzakken van charlatan naar charlatan pendelt. Of nog: je hebt nooit anders gehoord dan dat de universiteit van Freiburg een academische wereldreputatie heeft in sportgeneeskunde en opeens worden twee topartsen van de ‘Uniklinik’ ontmaskerd als veredelde soigneurs. Altijd met de spuit in de hand.

Ik zag de tranen van Zabel en hoorde Jacques Brel zingen: „Een vriend zien huilen, kan ik niet.” De meest gerespecteerde renner in het peloton die om vergiffenis vroeg: een ongekend drama. Aan Zabel was niets omgekeerd. Bij hem kreeg je wat je zag: een bonk natuur, altijd stil en kaal in ’t succes, een renner zonder erfzonde.

Toch epo.

De DDR, zijn oervaderland, heeft Zabel nooit helemaal verlaten in zijn geweldige carrière. Vier keer Milaan-Sanremo, twee keer Parijs-Tours, de Amstel Goldrace, twaalf ritten in de Tour en zes groene truien. Maar ik heb hem niet één keer uitbundig op een podium gezien. Zabel was geen zwaairenner, geen wapperaar, geen cabotin. Huilen deed hij niet, zoenen kon hij niet. Het podium was zijn surplace.

Hij straalde wel iets uit, wat heet, Zabel straalde beschaving uit. Een soort ouderwetse aristocratie die je in het hedendaagse wielrennen nog zelden tegenkomt. Bij hem dacht je niet aan trucs en combines, aan kwakken en truitjetrek. Ik heb hem na een wedstrijd ook nooit uitgewoond gezien. Al helemaal niet theatraal zien sterven, zoals Paolo Bettini dat zo goed kan. Het was alsof hij met een broodtrommeltje naar het werk was gekomen, en zich vóór de cérémonie protocollaire alweer teruggetrokken had in de plooi van vrouw en kinderen.

Huisman op de fiets.

Maar wat een atleet, wat een machtige sprinter. Vijftien jaar lang overklaste hij zijn generatie, Jan Ullrich incluis. Zabel was een renner voor wie wielerploegen in de rij stonden. Iedereen wou Erik, want: een met de hand gebeitelde vakman die het hele jaar present was. Niet zo’n verwend piekrennertje, zoals er nu dertien in een dozijn zijn. Ook ongewoon: trouw aan zijn werkgever. Pas de laatste jaren voelde hij zich bij T-Mobile ondergesneeuwd in de blinde bombarie rond Ullrich. Hij vertrok naar Milram, meer uit verweesdheid dan vanwege een gekrenkt eergevoel.

Geplaagd door wroeging nagelde hij zich deze week, ogenschijnlijk geheel vrijwillig, zelf aan het kruis. Nog zoiets, waar vind je ze nog, renners met wroeging? Niet in Spanje en Italië. Het zal met de volksaard te maken hebben, met een cultuur van schuld en spijt. Het is niet toevallig dat zowat de hele Telekomploeg van de jaren negentig alsnog met het eigen dopingverleden naar buiten is gekomen. Te laat, maar toch. Duitsers: getekend door de knieval van Willy Brandt.

De familieman Zabel vroeg om vergiffenis aan zijn zoon die ook fietst. Was ik zijn zoon maar: ik was hem om de hals gevlogen. Ik zou gezegd hebben: „Huil niet, papa. Wees trots.” De epobekentenis van Zabel doet niets af aan zijn grandeur. Met zo’n lange conduitestaat kan hij zeker geen ‘veelpakker’ zijn geweest. Als zelfs ministers en prelaten bij vlagen aan de hasj mogen, mag een renner toch ook, op een gure winterdag, even experimenteren met een epokuurtje.

De tijdgeest: altijd zo dubbel. Voor miljoenen gebroken huwelijken en verwaarloosde kinderen is de tijdgeest ingeroepen als legitiem verschoningsrecht. Zabel is hooguit zijn eigen leed geweest.

Hem valt weinig aan te rekenen en dus ook weinig te vergeven. Dat moeten zijn fans de komende weken maar eens duidelijk maken, zodat hun idool nog één keer wereldkampioen kan worden. Een epogek als Bjarne Riis mocht de Tour ook winnen, tegen beter weten in van ploegleiders en dopingcontroleurs. Erik Zabel verdient een nobel afscheid. In liefde en bewondering.