Wie in slaap valt, wordt natgegooid

Hebben Nederlandse militairen nu wel of niet gevangenen gemarteld in Irak? Binnenkort verschijnt er een rapport. „Volgens de Directie Juridische Zaken van het ministerie stonden de verhoorpraktijken van de MIVD’ers ‘op gespannen voet met de internationale mensenrechten’. ”

Het zag er luguber uit. Op 19 mei 2004 krijgt toenmalig VVD-minister van Defensie Henk Kamp twee foto’s opgestuurd van de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD). Het is kort na het uitbreken van het Abu Ghraib-schandaal: foto’s van de mishandeling van Iraakse gevangenen door Amerikaanse militairen zijn de hele wereld over gegaan. Nu stuurt de MIVD twee Nederlandse foto’s van gevangenen naar Kamp. De opnamen zijn in 2003 gemaakt in Irak.

Volgens de directeur van de MIVD, generaal-majoor Bert Dedden, zijn de foto’s „onlangs” bij het inventariseren van het archief van de MIVD boven water gekomen. „Gelet op de recentelijke (negatieve) publiciteit omtrent de mishandeling van Iraakse detainees door Amerikaanse militairen” acht hij het raadzaam minister Kamp „in kennis te stellen” van het bestaan ervan.

Op de eerste foto gaat het smalle hoofd van een jongeman bijna geheel schuil achter een enorme skibril, die slordig is afgeplakt met zwart tape. De man op de tweede foto is ouder en kalend. Hij draagt ook een geblindeerde bril, en lijkt daardoor niet te beseffen waar de camera is. Zijn gezicht is vertrokken. Zijn witte gewaad, zo is op de foto duidelijk te zien, is aan één kant kletsnat.

Nederland heeft sinds de zomer van 2003 troepen gestationeerd in Zuid-Irak. De foto’s zijn genomen door medewerkers van de MIVD tijdens nachtelijke ondervraging van Iraakse arrestanten. In een begeleidende brief geeft generaal-majoor Dedden tekst en uitleg. „Op beide foto’s ziet u dat de detainees een geblindeerde skibril dragen”, schrijft hij aan Kamp. „De reden hiervan is dat herkenning door een detainee van diens gesprekspartners (...) als onwenselijk werd gezien. Daarnaast is in twee gevallen gebruik gemaakt van koud water om een detainee te beletten in slaap te vallen.”

Krijgt Nederland zijn eigen ‘mini-Abu Ghraib’? Generaal Dedden maakt zich ongerust. Mogelijk zijn er méér opnamen in omloop, schrijft hij. „Bij de MIVD (is) bekend dat door personeel van het Korps Mariniers (…) mogelijk gevoelig foto- en videomateriaal is gemaakt. Naar inschatting van de MIVD verdient het aanbeveling om dit nader te onderzoeken.”

Tussen neus en lippen meldt de directeur van de MIVD ook nog iets anders: „Inmiddels heb ik mijn personeel nadrukkelijk verboden om nog langer van deze methoden gebruik te maken.”

Het schandaal waar de MIVD voor vreest blijft uit – tot 2006. Nederlanders martelden Irakezen, kopt de voorpagina van de Volkskrant op vrijdag 17 november. Volgens de krant hebben medewerkers van de MIVD niet alleen water gebruikt, maar hebben de Iraakse gevangenen kappen over hun hoofd gekregen en zijn ze blootgesteld aan ‘white noise’, hard elektronisch geluid. Volgens de Tilburgse hoogleraar internationaal recht Willem van Genugten zou er wel eens sprake kunnen zijn van foltering.

De publicatie veroorzaakt opwinding in de Haagse politiek. Het is vijf dagen voor de verkiezingen. Minister Kamp reageert getergd. De kwestie is in 2003 aan hem gemeld, zegt hij. Het Openbaar Ministerie besloot geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Er was dus niets aan de hand, redeneert Kamp. Toch besluit de minister nog dezelfde dag dat een ‘onafhankelijke commissie’ de zaak alsnog gaat onderzoeken.

Over enkele weken verschijnt het rapport van deze commissie onder leiding van voormalig SGP-Kamerlid Van den Berg. Nu al werpt het rapport zijn schaduw vooruit. Actualiteitenrubriek Nova zag een ‘feitenrelaas’ van de commissie in en meldde de aanwezigheid van een ‘elektrodestok’. ‘Verhoor in Irak ging met stroomstoten’, meldde de Volkskrant de volgende dag.

Wat is er gebeurd in Irak? De omstreden verhoren waren het gevolg van een onduidelijk mandaat, van een slecht functionerend MIVD-team en hooglopende ruzies – tot in Den Haag toe. Volgens de Directie Juridische Zaken van het ministerie stonden de verhoorpraktijken van de MIVD’ers „op gespannen voet met de internationale mensenrechten”. Maar anders dan minister Kamp beweerde, zijn die misstanden nooit tot op de bodem uitgezocht.

Het conflict

Irak, 2003. Nederlandse mariniers zijn in de zomer ‘ontplooid’ in de zuidelijke provincie Al-Muthanna. Ook de MIVD is in Irak neergestreken. Het zogeheten Contra Inlichtingen- en Veiligheidsteam (CIV-team) in As-Samawah is maar klein (drie militairen en een tolk), maar heeft een belangrijke taak: het in kaart brengen van alle mogelijke dreigingen in Zuid-Irak. De MIVD’ers zijn geen verantwoording schuldig aan de commandant van de mariniers, overste Dick Swijgman. Het CIV-team rapporteert direct aan Den Haag.

Al snel zijn er spanningen. Veel mariniers noemen de MIVD’ers schamper ‘agent 008’. De eigengereide mariniers ergeren zich aan de geheimhouding die de MIVD’ers betrachten. Zelfs overste Swijgman mag niet zomaar in de MIVD-tent komen.

De mariniers zijn bovendien niet onder de indruk van de analyses van het CIV-team. De eerste weken hebben de MIVD’ers zonder essentieel materieel als computers, radio’s en satelliettelefoons gezeten.

De mariniers varen liever op de informatie van hun eigen Forward Liaison Team (FLT), mariniers die op straat inlichtingen vergaren. Het CIV-team is niet blij met de concurrentie. De competentiestrijd leidt tot ruzies, die tot op het hoogste niveau in Den Haag worden uitgevochten.

Half september zijn de verhoudingen zo verziekt dat de MIVD een delegatie naar Irak stuurt. Twee hoge officieren spreken met commandant Dick Swijgman, over „de bestaande conflicten en meningsverschillen”. Alle partijen beloven beterschap. „Afgesproken is om de zienderogen verbeterde samenwerking te continueren”, staat er in het verslag van het werkbezoek, „waarbij gedacht moet worden aan de begeleiding bij ondervragingen en onderlinge bronnenoverdracht”.

Over die ‘ondervragingen’ zijn op 11 september afspraken gemaakt. Het Forward Liaison Team is verantwoordelijk voor het aanhouden van verdachten. Dat laatste is de mariniers wel toevertrouwd, maar met inlichtingenwerk hebben ze minder ervaring – en dat terwijl juist arrestanten mogelijk kostbare informatie kunnen verschaffen. Den Haag wil daarom dat de MIVD’ers een rol spelen bij de ondervragingen. Verdachte terroristen zullen worden verhoord door de MIVD, zo wordt afgesproken.

Maar mag Nederland eigenlijk wel arrestanten verhoren? De Directie Juridische Zaken (DJZ) op het ministerie vindt van niet. Al tijdens de voorbereiding van de missie heeft deze directie laten weten dat het afnemen van verhoren volgens het mandaat niet is toegestaan.

De juridische positie van de Nederlandse eenheden in Irak is ingewikkeld. De Nederlandse regering heeft de inval in Irak wel politiek, maar niet militair gesteund. Nederland heeft er ook voor gekozen om in Irak géén bezettende macht te zijn, zoals de VS of Groot-Brittannië. Nederlandse militairen hebben daarom geen zelfstandige bevoegdheden, maar zijn slechts ‘onderaannemer’ van de Britten. ‘Gewone’ criminelen moeten worden uitgeleverd aan de Iraakse politie. Van terrorisme verdachten moeten binnen vier dagen worden uitgeleverd aan het Britse hoofdkwartier in Basra.

Die 96 uur moeten maximaal worden benut, vindt vooral de militaire leiding in Den Haag. Op het departement heeft maandenlang een discussie gewoed over de gevangenen. „Verschillende instanties”, zo schrijft een ambtenaar van DJZ, „hebben aangegeven dat het uit het punt van ‘force protection’ onwenselijk was om in het geheel niet te proberen om nuttige informatie los te krijgen van de gedetineerden.” De DJZ heeft moeten toegeven. „Uiteindelijk [is] geadviseerd dat het houden van een informeel gesprek met de gedetineerden vanzelfsprekend was toegestaan, mits hierbij het karakter van het gesprek niet dat van een verhoor zou aannemen.”

Het is een wankel compromis. In de harde dagelijkse praktijk van Zuid-Irak zou de grens tussen een ‘informeel’ gesprek en keihard verhoor wel eens vaag kunnen blijken. Overste Swijgman en zijn juridische adviseur, de militair jurist Misha Geeratz, maken zich daar zorgen over. „De vraag rijst”, schrijft Swijgman op 13 oktober aan Den Haag, „of een gesprek met een verdachte mogelijk is, zonder dit een verhoor te noemen.”

Swijgman heeft voorgesteld dat de jurist Geeratz bij de gesprekken aanwezig zal zijn. Maar daar steekt de commandant van het CIV-team een stokje voor. Volgens de MIVD is de inhoud van de gesprekken te gevoelig om de aanwezigheid van „niet-MIVD personeel” toe te staan. Den Haag geeft de MIVD gelijk. In de aanvullende instructies over de gedetineerden die de Defensiestaf begin oktober naar Swijgman heeft gestuurd, staat dat „de MIVD bepaalt wie er (…) aanwezig zijn”.

Swijgman heeft de orders op te volgen. Maar de commandant van de Nederlandse troepen in Irak doet dat onder protest. In zijn reactie aan Den Haag schrijft hij dat hij als commandant „geen enkele verantwoordelijkheid” kan dragen voor de periode dat de verdachte is overgedragen aan de MIVD”. Als de MIVD zo graag in het geheim gevangenen wil horen, dan moeten ze dat zelf weten: de mariniers trekken hun handen ervan af.

Het verhoor

Omar Abdul Mohsen Ahmed Al-Quraishi liegt. Op 4 oktober 2003 is hij door de lokale politie gearresteerd, op verdenking van het plannen van aanslagen. Nu zit hij vast in het cellencomplex van het CPA-huis, het overheidskantoor in As-Samawah. In het cellencomplex staat een radio dag en nacht aan. Soms galmt er muziek door het gebouw. Soms klinkt er hard geruis. Slapen in de cel is moeilijk.

Het CIV-team verhoort Omar drie keer. Ook mariniers van het FLT zijn aanwezig. De eerste keer noemt Omar zichzelf Khalid Al Shemari, en beweert hij dat hij een Irakees is die als illegaal in Saoedi-Arabië schapen hoedt.

Tijdens de tweede sessie is de Iraakse schapenhoeder ineens een Saoedische bankemployee, die zelfs korte tijd in de VS heeft gewoond. Hij zegt dat hij in Irak was om een meisje te trouwen. Om over de grens te komen huurt hij de diensten in van Satar Talal, een mensensmokkelaar die tegenwoordig voor de politie werkt. Als hij met Satar naar zijn geboorteplaats Zubayr rijdt, wordt Omar gearresteerd. Waarom weet hij niet.

De MIVD’ers gaan tot het uiterste om meer informatie los te krijgen. De ondervragingen gaan de hele dag door, tot diep in de nacht. „Aangezien het CIV-team maar weinig tijd heeft (...) moet van de kostbare tijd optimaal gebruik worden gemaakt”, schrijft de commandant van het team later in een schriftelijke verklaring. „Dit houdt in dat de detainees relatief weinig slaap krijgen en soms tot diep in de nacht wordt doorgewerkt om de informatie te krijgen. Dit is zowel voor het CIV-team als de detainee een uitermate vermoeiende aangelegenheid.”

Al-Quraishi wordt het te veel. De verdachte, zo vertelt MIVD’er Van W. later aan de marechaussee, „wekte tijdens het interview voortdurend de indruk weg te doezelen en in slaap te vallen”. Om Omar bij de les te houden, giet Van W. „een half bekertje water” over het hoofd van de gevangene. „Dit gebeurde in dit geval nog een paar maal indien nodig, door de overige leden van het interview-team.” MIVD-medewerker K. zit ook bij het verhoor. „Tijdens het interview met een Saoedische detainee” vertelt K. later aan de marechaussee, „dreigde deze (...) in slaap te vallen. Ik ben toen opgestaan en heb vanuit een fles wat water over zijn hoofd laten lopen.”

Het water wordt niet alleen gebruikt bij Omar Al-Quraishi. Ook ten minste één andere gevangene wordt natgegooid. Mag dat? De MIVD heeft geen richtlijnen voor het verhoren van gevangenen opgesteld. Tijdens de voorbereiding op de missie is niet voorzien dat het CIV-team ondervragingen zou gaan uitvoeren. De MIVD’ers hebben evenmin een opleiding voor ondervrager gevolgd. „De specifieke ondervraagopleiding was sedert 2000 niet meer aan het personeel gegeven”, meldt de MIVD in november 2006. „Gezien de ervaringen in Irak is (…) onderkend dat die opleiding weer diende te worden hervat.”

Het Britse hoofdkwartier, dat het bevel over de Nederlandse troepen voert, heeft wél regels opgesteld. De gevangene, zo stelt het Britse document, „moet te allen tijde worden behandeld in overeenstemming met de Conventies van Genève en mag niet worden onderworpen aan enige fysieke bestraffing”.

„Het gebruik van water was absoluut niet bedoeld om de detainee pijn te bezorgen”, zal MIVD’er Van W. later tegen de marechaussee verklaren. De MIVD’ers zullen naderhand benadrukken dat de gebruikte methoden geen deel uitmaakten van het verhoor. De skibrillen dienden om herkenning te voorkomen. De radio stond aan om er voor te zorgen dat de gedetineerden niet met elkaar konden praten. Het water was alleen bedoeld om het verhoor te kunnen voortzetten, niet om informatie af te dwingen.

Maar dat is niet wat de commandant van de mariniers, overste Swijgman, te horen krijgt. Op 24 oktober meldt de Nederlandse verbindingsofficier op het Britse hoofdkwartier, overste Hardenbol, dat de MIVD’ers met de Britten over de verhoren hebben gepraat. De MIVD’ers zouden hebben gezegd dat Omar Al-Quraishi is natgegooid „omdat hij leugens vertelde”. De constante achtergrondruis van de radio (‘white noise’) zou de bedoeling hebben gehad om Al-Quraishi „onder druk te zetten”. Swijgman besluit nu tot actie. Op 25 oktober belt hij met de Defensiestaf. Op 27 oktober stuurt hij een ‘feitenrelaas’ naar Den Haag.

Het onderzoek

Nog dezelfde dag krijgt plaatsvervangend chef-Defensiestaf Pieter Cobelens het feitenrelaas van Swijgman op zijn bureau. Op het voorblad maakt hij een aantekening. „Het lijkt mij geen goed idee om aangifte te doen ivm openbaarheid. Onder couvert houden en door MIVD maatregelen laten nemen.” Maar als directeur Juridische Zaken Seerp Ybema het stuk twee dagen later op zijn bureau krijgt, schrijft hij er heel iets anders op. Volgens hem moet worden uitgezocht of er sprake zou kunnen zijn van strafrechtelijke consequenties. „Zo ja, dan is mijn advies aangifte te doen en dit niet ‘onder couvert’ te houden!”, schrijft Ybema. „We moeten elke twijfel over een ‘cover up’ bij voorbaat wegnemen!”

De hoogste militair op het departement, chef-Defensiestaf Luuk Kroon, twijfelt. Eerst praat hij met de directeur van de MIVD over een intern onderzoek. Vier dagen later overlegt hij met de bevelhebber van de marechaussee, generaal Cees Neisingh. Neisingh stuurt nog dezelfde dag een fax naar Kroon. Hij schrijft „dat hiervan onverwijld aangifte gedaan dient te worden bij de Koninklijke Marechaussee, als dat nog niet gebeurd is”.

Omar Al-Quraishi heeft bij de Britten geklaagd over zijn behandeling door de MIVD. „De verdachte beweerde dat hij tijdens zijn detentie door Nederlandse eenheden onderworpen was aan een wrede behandeling, waaronder afranselingen”, meldt kapitein Anna Mobbs in een verslag van het Britse verhoor. „Hij beweerde verder dat hij was blootgesteld aan ‘white noise’ en dat hij gedurende de ondervraging verbonden was met elektroden.” Elektroden bij de Nederlanders? „Highly unlikely”, schrijft Mobbs. Toch wil de kapitein met de MIVD’ers praten: niet wegens de elektroden („dat is onzin”, schrijft Mobbs) maar omdat Al-Quraishi gebruik van ‘white noise’ noemt. Mobbs wil weten of de Nederlanders deze „psychologische techniek” (die volgens haar in de Arabische wereld onbekend is) inderdaad hebben gebruikt. Zo niet, dan is Al-Quraishi misschien eerder door een westerse dienst gehoord.

Op 20 oktober reizen de MIVD’ers, vergezeld door een stafofficier van de mariniers en de commandant van het FLT, kapitein Boersma af naar het gevangenenkamp in Umm Qasr. Daar overleggen ze met kapitein Mobbs. „Tijdens dit gesprek haalde de kapitein aan dat een Saoedi-Arabiër geklaagd had dat hij met water besprenkeld was en dat hij een zwarte bril op had gehad en dat er de hele tijd geruis te horen was”, herinnert Boersma zich later tegenover de marechaussee. Volgens Boersma heeft Mobbs dus niets gezegd over de andere beschuldigingen van Al-Quraishi.

Op 22 oktober meldt de Nederlandse verbindingsofficier op het Britse hoofdkwartier, overste Hardenbol, aan commandant Swijgman dat er zich mogelijk misstanden hebben voorgedaan. Ook Hardenbol maakt alleen melding van het gebruik van kappen, ‘white noise’ en water. Over het vermeende slaan en de elektroden zegt hij niets. Swijgman maakt er in zijn feitenrelaas ook geen gewag van. Het gevolg: het verhaal over de elektroden wordt nimmer onderzocht.

In 2006 laat de leiding van de marechaussee nog eens uitzoeken waarom dat eigenlijk niet is gebeurd. Kapitein Rosema, de leider van het onderzoeksteam uit 2003, bevestigt dat hem „nimmer iets [is] gemeld over het gebruik van elektroden en/of het slaan van detainees. (...) Het feitenonderzoek heeft zich hier dus toen ook niet op gericht.”

Met het onderzoek is nog iets raars aan de hand. Het ministerie van Defensie heeft Swijgman op 4 november opdracht gegeven om aangifte te doen. Daarmee zou een strafrechtelijk onderzoek in gang zijn gezet. Maar Swijgman doet geen aangifte. Ondertussen heeft het Openbaar Ministerie in Arnhem de marechaussee in Irak opdracht gegeven om een oriënterend ‘feitenonderzoek’ in te stellen. Daarbij worden de MIVD’ers alleen als getuige gehoord. Op 14 november 2003 hoort de marechaussee getuige Swijgman. Ook nu doet de commandant geen aangifte. De marechaussees vragen hem daar ook niet naar. „De Koninklijke Marechaussee was op dat moment niet op de hoogte van de opdracht van de Chef-Defensiestaf aan luitenant-kolonel Swijgman dat hij aangifte moest doen”, zo zal een staffunctionaris in 2006 de gang van zaken reconstrueren. „Bij de Koninklijke Marechaussee bleef het beeld derhalve bestaan dat er een feitenonderzoek in plaats van een strafrechtelijk onderzoek plaatsvond, conform de opdracht van het OM in Arnhem.”

Zo blijft het onderzoek steken in de oriënterende fase. In december stuurt de staf van de marechaussee een advies over de verdere afhandeling van de zaak naar het parket in Arnhem. De marechaussee stelt vast dat de verhoren niet volgens de regels zijn verlopen. Directeur juridische zaken Ybema heeft die regels op 26 november in een aparte nota nog eens op papier gezet. Alleen het houden van ‘gesprekken’, „zonder enige vorm van dwang of dreiging” is toegestaan. De marechaussee constateert dat dit toch is gebeurd. „Tijdens een aantal gesprekken met detainees [is] sprake geweest van enige vormen van dwang”, meldt het advies, en is het „denkbaar dat de gebezigde methodes als bedreigend zijn ervaren”.

Het is een heldere analyse. Maar de conclusie die volgt, is verwarrend. De marechaussee adviseert, „de lokale situatie in ogenschouw nemend”, en „indachtig de juridisch gecompliceerde regelgeving hieromtrent” níét tot een strafrechtelijk onderzoek over te gaan. Het OM sluit zich hierbij aan.

Op 31 maart 2004 schrijft Ybema ook nog een analyse over de verhoormethoden. Volgens hem zijn de MIVD’ers te ver gegaan. Hij schrijft:

- „Er is gegronde twijfel wat betreft het volledig naleven van het verbod op dwang.”

- „Het gebruik van geluid op een wijze die de normale nachtrust verstoort, staat op gespannen voet met internationale mensenrechten.”

- „Het gebruik van koud water op de wijze zoals in het dossier aangegeven, staat op gespannen voet met de internationale mensenrechten.’’

Het Openbaar Ministerie onderzoekt de feiten opnieuw. Volgens goed ingelichte bronnen laat het College van procureurs-generaal zich gedetailleerd op de hoogte houden van iedere ontwikkeling in het dossier. Het OM wacht het rapport van de commissie-Van den Berg af. Daarna kan er alsnog een strafrechtelijk onderzoek volgen.