Volwassen worden in zwart-wit

Dana Linssen bekijkt de laconieke film Mutual Appreciation, over een hopeloze dromer in New York

Mutual Appreciation Film Extra’s

Eens in de zoveel jaar is er wel een beginnende filmmaker, meestal in het laatste jaar van zijn opleiding, die het weer probeert: een film maken over zijn generatie die alle andere films die er over adolescenten zijn gemaakt overbodig zal maken. En zonder uitzondering zijn deze films in zwart-wit. Het is ook een tijd van zwart-wit natuurlijk, alles is zo of zo en het licht van de zon is verdacht omdat het elke dag weer kleur in de wereld brengt.

Gek genoeg lijken al die films als twee druppels water op elkaar. Maar filmmakers blijven ze maken en filmliefhebbers blijven ze bekijken. Dat laatste misschien wel omdat het ontstaan van filmliefde ook iets met die onbestemde leeftijd tussen kindzijn en volwassenheid te maken heeft. Terug in die veilige baarmoeder van je late tienerjaren weet je weer waarom je van film bent gaan houden en waarom je dus wel van deze film moet houden. Deze film is in dit geval Mutual Appreciation uit 2005. (Zegt zo’n titel niet al genoeg?) Het is niet de eerste, maar de tweede film van Andrew Bujalski (Boston, 1978), die ook nog een van de hoofdrollen voor zijn rekening neemt. Niet dé hoofdrol natuurlijk, van de rondlummelende rockmuzikant Alan die naar New York komt voor een optreden maar door zijn band in de steek is gelaten. Die laat hij wijselijk aan Justin Rice over, een acteur met de slaapwandelende motoriek van een hopeloze dromer. Zelf is hij Lawrence, het vriendje van de beste vriendin van Alan, en kan hij alles een beetje van een afstandje bekijken.

Die distantie is meteen de grootste charme van Mutual Appreciation. Het is een laconieke lo-fi-film, waarin ook Alan haast niet kan geloven dat hij zijn eigen leven leeft. Belangrijkste handelsmerk: de sloom-komische dialogen over niets. Alan dwaalt door New York op zoek naar nieuwe bandleden, is altijd net te laat waar er iets te doen was, maar die lome landerigheid geeft Bujalski wel de gelegenheid om zijn generatiegenoten uitgebreid te observeren en te tekenen.

Wie al die zwart-witte drempelfilms chronologisch zou bekijken, komt er denk ik wel achter dat generatie na generatie een stukje meer van zijn dromen en vechtlust is verloren. De twee films die vaak de godfathers van dit genre worden genoemd Shadows (1959) van John Cassavetes en La maman et la putain van Jean Eustache (1973) zijn cynisch en leeg, net als al hun navolgers, maar er borrelt nog iets. Een restje idealisme. Woede. Onvrede. Als Alan na een lange nacht-na-het-feestje weer ontwaakt, weet ik het nog zo net niet voor hem. Hij wordt waarschijnlijk gewoon boekhouder in plaats van rockmuzikant. Zijn voorgangers waren dan tenminste nog met flair mislukte rockmuzikant geworden.