Veroordeel niemand tot leren

Voor tweehonderdduizend scholieren is het eindexamen nu alles dat telt. We zijn echter te ver zijn doorgeschoten in ons geloof in onderwijs, vindt Jonathan Mijs.

Op school leren wij basisvaardigheden, vergroten wij onze zelfredzaamheid en worden wij gevormd tot goede burgers en, niet te vergeten, tot productieve werknemers. Daarbij heeft onderwijs positieve effecten voor de hele samenleving: het bevordert de sociale cohesie en verhoogt ons welvaartsniveau.

Een teveel aan onderwijs, lijkt vrijwel onmogelijk. Toch bestaat dat, en het gaat gepaard met de nodige problemen.

In overheidsnota’s lijkt het vertrouwen in onderwijs bijna ideologische vormen aan te nemen. De problematiek rondom integratie, criminaliteit en werkloosheid is, zo lijkt men te geloven, op te lossen met meer onderwijs.

In de wetenschap is het nut van onderwijs verre van onomstreden. Weliswaar blijkt uit onderzoek dat werkgevers bereid zijn meer te betalen voor hoger opgeleide werknemers. Maar wetenschappers zijn verdeeld over de achtergrond van die bereidheid. Betaalt de werkgever meer omdat zijn werknemer door scholing productiever is geworden of waardeert hij iets anders?

Een flinke stroming in het wetenschappelijk onderzoek beweert het laatste. Er zijn drie varianten.

1. Onderwijs is voor werkgevers van belang wegens het vormende element ervan: het kneedt mensen tot gehoorzame en volgzame werknemers.

2. De enige waarde van onderwijs zit in het papiertje dat je na afronding ontvangt; wat je daadwerkelijk leert is van ondergeschikt belang.

3. Je leert nauwelijks iets op school – en wat je leert, ben je al vergeten voordat je het in de praktijk kunt brengen.

De daadwerkelijke waarde van onderwijs laat zich niet in algemene termen uitdrukken; die varieert van school tot school en van docent tot docent. Ik ben van mening dat deze nuance door beleidsmakers gemakkelijk wordt vergeten. Is het dus terecht dat wij ploegen en ploeteren, zweten en stressen om steeds hoger opgeleid te geraken?

Met zijn streven naar meer hoger opgeleiden (ten minste 50 procent van de beroepsbevolking, in 2010) en door de geplande verlenging van de leerplicht tot 18 jaar creëert het kabinet een klimaat waarin het functioneren voor sommigen heel moeilijk wordt.

Ik doel allereerst op de mensen die cognitief minder gefortuneerd zijn, die hun middelbare school met veel moeite zijn doorgekomen en die graag aan de slag willen – aan het werk. Een statistisch gegeven alléén (lager opgeleiden vinden gemiddeld minder snel een baan), vind ik onvoldoende rechtvaardiging om deze individuen hun vrije keuze te ontnemen.

Daarbij lijkt het kabinet niet te beseffen dat de waarde van onderwijs in sterke mate afhankelijk is van de hoeveelheid onderwijs die anderen hebben genoten. De Boston Consulting Group (‘Meer Banen voor Talent’, oktober 2005) rekende al uit dat er een overschot is aan hoger-opgeleiden, dat alleen maar lijkt toe te nemen. Het gevolg: hoger opgeleiden zijn in toenemende mate (BCG spreekt van 30-50 procent) gedwongen een baan te accepteren onder hun scholingsniveau en zo de lager opgeleiden van hun plek op de arbeidsmarkt verdrukken.

‘More is less’ is in de reclamewereld een geaccepteerde slogan, maar de politiek moet er niets van hebben. Als deze trend zich doorzet, dreigen we te worden gevangen in een oneindige race naar meer onderwijs.

Hoe meer onderwijs de één geniet, hoe groter de achterstand van de ander. In dat licht bezien lijkt het door de overheid voorgeschreven ‘levenslang leren’ meer op een veroordeling dan op een kans.

Jonathan Mijs is onderzoeker bij het Max Goote Kenniscentrum van de Universiteit van Amsterdam, en voormalig voorzitter van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb).