Van Bokito tot King Kong: veel vrouwen houden van apen

Mensapen zijn ideale projectieschermen van angsten en verlangens, schrijft Stine Jensen. Dat spiegeleffect keert terug in de mediahype rond de losgebroken gorilla Bokito

Jane Goodall Foto AP Renowned chimpanzee expert Jane Goodall speaks to leading primatologists at the "Mind of the Chimpanzee" conference Saturday, March 24, 2007, in Chicago. The event, hosted by Chicago's Lincoln Park Zoo, is billed as the first scientific meeting on how chimpanzees think. (AP Photo/Nam Y. Huh) Associated Press

„Bokito blijft mijn lieveling”, sprak Yvonne de Horde tussen de operaties door vanaf haar ziekbed. Ze wilde het liefst weer terug naar haar gorilla als ze weer beter was. Dat is een opmerkelijk staaltje dierenliefde van de 57-jarige vrouw die meer dan honderd beten en een verbrijzelde arm opliep bij de aanval door een ontsnapte zilverrug in Blijdorp.

Bokito werd aanvankelijk in de berichtgeving met King Kong vergeleken: een ‘woest dier’ dat ‘een vrouw meesleurde’. Toen vernomen werd dat Yvonne vier dagen per week in Blijdorp te vinden was bij Bokito, kantelde het perspectief. In een filmpje konden we zien hoe ze haar hand op het raam legde, en zei dat de aap ‘aandacht van haar wilde’ en dat hij ‘naar haar lachte’. Nogal dom, concludeerden een parade aan gerenommeerde dierwetenschappers die week, want apen lachen niet en houden niet van oogcontact. Van het onschuldige slachtoffer van een woeste aap transformeerde de vrouw tot de belager van de aap; Bokito veranderde prompt van een dader in een onwetende puber in gevangenschap, getergd door een vrouwelijke teaser.

vrouwen en apen

Als promovendus beeldvorming van vrouwen en apen in cultuur en wetenschap, zat ik de afgelopen week met een zekere opwinding, fascinatie en ongeloof aan buis en krant gekluisterd om het nieuws te volgen over de gevaarlijke soortgrensoverschrijdende liefde voor de gorilla van de vrouw, die het bijna met de dood moest bekopen. De fixatie in de media op de motieven van de vrouw en de gorilla leidden daarbij de aandacht af van wat twee bijrollen leken te worden voor de mannen (de echtgenoot en de dierentuindirecteur) die intussen – geheel conform het scenario van King Kong uit 1933 – een strijd leveren over geld en schadeclaims.

De fascinatie van de media is begrijpelijk. De gorilla is een imposante verschijning die in de westerse cultuur staat voor masculiniteit en viriliteit, en macho nummer één is onder de apen, want een trotse bezitter van een harem: „Hij was boos op die vrouw omdat ze contact zocht met hem, maar zij zich niet aansloot bij zijn harem”, stelde Frans de Waal vast. „Hij zoekt de confrontatie met andere mannen, en wil vrouwtjes verzamelen.”

Het volwassen gorillamannetje, de zilverrug, is om deze reden vaak de hoofdfiguur in de culturele verbeelding van de soortgrens-overschrijdende liefde tussen vrouwen en apen in de westerse cultuurgeschiedenis. King Kong is het beroemdste voorbeeld. De originele film stamt uit 1933 en daarin is het dier letterlijk opgeblazen tot mythische proporties, namelijk vijftig voet, zo’n vijftien meter. Hij is hopeloos verliefd op Ann, een mooi blond meisje. De reuzengorilla moet het, tot groot verdriet van de kijker die met hem is gaan sympathiseren, aan het eind van de film bekopen met de dood. De film ging de geschiedenis in als horrorfilm, maar wie het origineel ziet, treft een reus die tegenstrijdige aspecten in zich verenigt: eng en aandoenlijk, lief en gevaarlijk, gevoelig en agressief, groot maar kinderlijk. Met zo’n dubbelzinnigheid valt moeilijk te leven en King Kongs betekenis in de westerse cultuur werd vooral die van moordzuchtig monster.

Bij de vergelijking tussen Bokito en King Kong vreesden wetenschappers dan ook voor nieuwe imagoschade voor de gorillasoort. „Dat mensen denken dat gorilla’s agressief zijn, komt door de film King Kong”, stelde hoofd van de afdeling wetenschappelijk onderzoek van de Antwerpse dierentuin Zjef Pereboom in deze krant.

zachtaardige kant

Niet alleen in de culturele verbeelding, maar ook in de werkelijkheid treft men een innige band aan tussen vrouwen en dieren. Dat is zichtbaar in de samenstelling van dierenbeschermingsorganisaties, de Partij voor de Dieren (twee vrouwen in de kamer) en ook in de primatologie – het wetenschappelijke onderzoek naar apen, mensapen en mensen – waar iedere apensoort zijn eigen toegewijde vrouw lijkt te hebben (Jane Goodall - chimpansees; Biruté Galdikas - orang oetans). Dian Fossey heeft zich veel moeite getroost om de zachtaardige kant van de gorilla’s te laten zien, onder meer door ze namen te geven en ze als individu te beschouwen en aan te geven dat het dieet van deze apen niet uit vrouwen en New Yorkers bestaat. Sommige vonden dat Fossey te ver ging met haar liefde voor apen. ‘My beloved Digit’ stond er op de grafsteen van haar lievelingszilverrug. Fossey ligt naast hem begraven.

Verschillende verklaringen zijn gegeven voor het hoge aantal vrouwen dat zich zo bekommert om dieren, en apen in het bijzonder. Een daarvan is de ‘big brown eyes hypothesis’. Vrouwen zouden graag apen onderzoeken en opzoeken omdat ze dol zijn op lieve, harige, kleine dieren; hun moederlijke, zorgende kant zou erdoor worden aangesproken. Onzin, natuurlijk, want apen zijn niet ‘klein, schattig, grappig of lief’; integendeel, het zijn grote dieren die soms ook gewelddadig kunnen zijn. Een andere verklaring is dat vrouwen zich meer dan mannen identificeren met het lot van de ‘ander’, die in gevangenschap verkeert, en dat nu de emancipatie van zwarten, arbeiders en vrouwen voltooid zou zijn, er ruimte is gekomen voor het dier.

Volgens de Amerikaanse cultuurcritica Donna Haraway is een van de hardnekkigste culturele clichés de idee dat vrouwen betere toegang tot de apen zouden hebben omdat zij dichter bij de natuur zouden staan. Steeds weer wordt deze nabijheid in de representatie-industrie rondom vrouw en dier benadrukt, waarbij ook de soortgrens tussen mens en dier vervaagt. Er zijn diverse afbeeldingen van Goodall en Fossey waarop zij de apen aanraken, knuffelen en verzorgen of opgaan in een groep apen (‘zoek de vrouw’) – dat soort beelden zijn er van Frans de Waal nauwelijks. Marianne Thieme zette zichzelf op het omslag van haar manifestachtige boek De eeuw van het dier, en niet een dier. De glimlach van een aantrekkelijke vrouw doet het nu eenmaal beter als boegbeeld voor een emancipatiebeweging dan de norse gezichtsuitdrukking van een zilverrug.

Marx of darwin?

De beeldvorming van vrouwen en apen beïnvloedt de waarneming van de werkelijkheid, die op zijn beurt in termen van fictie het beste begrepen lijkt te kunnen worden. De terugkerende ontmoetingen tussen Yvonne en Bokito riepen bij mij – meer nog dan King Kong – vooral een ontroerende roman van Jenny Diski, My Monkey’s Uncle (1994) in herinnering. Daarin brengt de negenveertigjarige Charlotte Fitzroy na een periode van overspannenheid elke dag een bezoekje aan de dierentuin. Daar ziet ze veel oudere mensen rondschuifelen, die er ook elke dag heen gaan om contact met de dieren te leggen. Charlotte legt het aan met de orang-oetan Jenny en als ze in haar ogen kijkt, ziet ze ‘haar essentie’, ogen die moe en droevig zijn, eigenlijk precies zoals ze zich zelf voelt. Ze begint tegen de aap te praten. Uiteindelijk voert ze diepe gesprekken over de aard van de mens: heeft Freud, Marx of Darwin gelijk? Charlotte wordt voor gek versleten en opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Intussen smeedt een ouder echtpaar plannen om hun lievelingsaap Suka te bevrijden uit de dierentuin. ‘Ze zullen wel denken dat we gek zijn, maar we hebben geen slechte bedoelingen’, vertellen ze Charlotte. ‘Het is niet gek om van iemand te houden’, reageert Charlotte, maar de psychiater zegt dat het om een ‘ongepaste’ liefde gaat. Dat het ‘een substituut is.’

Desmond Morris merkt in zijn boek Intimate Behavior (1971) op dat dieren inderdaad als substituut voor intimiteit en menselijk contact kunnen dienen – vandaar dat veel single vrouwen bij afwezigheid van menselijk gezelschap een kat nemen om te aaien, te voeren en tegen te praten. Dieren – en met name mensapen omdat die zo op ons lijken – zijn ideale projectieschermen van angsten en verlangens. Dat spiegeleffect zien we prachtig terug in de recente stukjesstroom over Bokito. Theodor Holman identificeert zich in een vermakelijke column in Het Parool onmiddellijk met Bokito en adviseert hem om los te breken en het niet langer te pikken dat bimbo’s hem de hele dag uitdagen; een schrijfster op de achterpagina van deze krant bekent dat ze uiteindelijk wel kan begrijpen waarom Yvonne terug wil naar Bokito, want als ze een sms'je krijgt van een man van wie ze eigenlijk vindt dat hij haar onrecht heeft gedaan terwijl ze hem toch wil zien, realiseert ze zich dat ‘iedere vrouw wel een Bokito in haar leven heeft’; Aaf Brandt Corstius begrijpt in haar column in nrc.next na een bezoek aan Blijdorp niet waarom alle aandacht uitgaat naar die grote kerel, terwijl de babygorillaatjes toch evident het schattigst zijn en haar verlangende moederinstinct wakker maken.

Met de liefde van Yvonne de Horde voor Bokito komt ook een schaduwzijde van een doorgeschoten vermenselijking van het dier in beeld, en worden de gevaren voor de mens die de soortgrens tart, negeert en overschrijdt, duidelijk. Een van de sterkste voorbeelden van een soortgrens-overschrijding is te zien in de documentaire Grizzly Man van Werner Herzog, waarin Timothy Treadwell (ook mannen overschrijden weleens de soortgrens) zijn contact met beren en de poging tot transgressie (een beer worden) uiteindelijk moet bekopen met een harde straf: de dood. Nadat hij was aangevallen door een beer gaf hij overigens een soortgelijke reactie als Yvonne: hij is niet boos op de beer, want hij begrijpt de beer en hij houdt van de beer. De ‘uitbreekkoning’ Bokito kan zich met heuse fanclubs die zijn opgericht intussen in een diervriendelijk klimaat verheugen in het gezelschap van een dominomus en de paarden van Marrum; en Yvonne in dat van een groepje vrouwen dat dagelijks de gorilla’s in Artis bezoekt, en beroemde collega-soortgrensoverschrijders als de Grizzly Man en de paardenfluisteraar. Gezamenlijk fungeren zij als een formidabele liefdesparabel voor de eigentijdse relatie tussen mens en dier, cultuur en natuur, jaloezie en verlangen, vrijheid en gevangenschap en het gedrag van vrouw(tjes) en man(netjes).

Stine Jensen is de auteur van de dissertatie ‘Waarom vrouwen van apen houden. Een liefdesgeschiedenis in cultuur en wetenschap’ (2002). Volgende week verschijnt een herdruk van dat boek. Jensen stelde ook de bundel ‘Aapverhalen’ (2004) samen, met verhalen van schrijvers als Arnon Grunberg, Abdelkader Benali en Willem Frederik Hermans over apen.