Test uw rijkdom

Onze geleerden weten hoe je een schaap kloont, wat klimaatverandering doet met het Noordpoolijs, hoe je robotwagentjes laat rijden op Mars en hoe onze hersenen reageren op beleggingsbeslissingen. Weten we ook al hoe je rijk wordt? Jazeker, al meer dan tien jaar.

Die kennis danken we aan het Amerikaanse onderzoeksduo Thomas Stanley en William Danko. Twintig jaar lang bestudeerden zij de denkpatronen en gewoontes van multimiljonairs. In 1996 publiceerden ze hun bevindingen in de bestseller The Millionair Next Door.

De onderzoeksuitkomsten zijn even verbijsterend als logisch: de meeste miljonairs zien er niet uit als miljonairs, eten niet als miljonairs, gedragen zich niet als miljonairs en hebben geen chique namen.

De typische rijkaard is onopvallend en onherkenbaar. Hij bezit een bedrijf of een paar winkels, is één keer – en nog steeds – getrouwd, heeft levenslang dezelfde woonplaats te midden van mensen die slechts een fractie van zijn vermogen bezitten, is een verstandige belegger, en vooral: hij is zuinig en heeft liefst een nóg zuiniger partner.

Zijn geheim is dat hij succes niet afmeet aan inkomen maar aan vermogen. Hij redeneert: „Hoe meer ik uitgeef des te meer ik verdienen moet en des te hoger mijn belastingaanslag oploopt.” Van inkomsten snoept de fiscus immers veel meer af (in Nederland maximaal 52 procent) dan van vermogen (in box 3 maximaal 1,2 procent per jaar).

Een doorsnee miljonair wil dus geen boot van twee ton. „Daarvoor moet ik bruto ruim vier ton verdienen”, berekent hij. Wat hij netto binnenhaalt, houdt hij vast als een terriër. Stilletjes en succesvol gaat hij het beleggen. Naarmate zijn rijkdom groeit, draait zijn leven steeds minder om inkomsten en steeds meer om het rendement op wat hij al bezit.

Een eenvoudige test wijst uit in hoeverre u talent voor rijkdom bezit. Vermenigvuldig uw leeftijd met uw brutojaarinkomen en deel de uitkomst door tien. Vergelijk dat bedrag met uw huidige vermogen minus ontvangen erfenissen.

De 47-jarige Piet verdient bijvoorbeeld jaarlijks bruto een ton. Na aftrek van geërfd geld zou hij nu 470.000 euro moeten bezitten. Is hij rijker, dan is hij een rijkdombouwer; bezit hij minder dan is hij een rijkdomverbruiker.

Een bouwer is gelukkiger dan een verbruiker met hetzelfde inkomen, concluderen Stanley en Danko. Bouwers zwemmen in het geld, zijn zorgeloos en hebben kinderen die al jong financieel zelfstandig zijn. Een kwestie van opvoeding, zeggen ze. Ze laten hun kinderen pas merken dat ze rijk zijn als ze zich helemaal zelf kunnen redden.

Daarnaast leren ze hun discipline en zuinigheid. Ze geven ze verder nooit zomaar geld, ook niet als dat fiscaal het voordeligste is. En ze benadrukken steeds dat veel dingen in het leven belangrijker zijn dan geld.

Rijkdomverbruikers tobben wel, vooral over hun kinderen. Die lieten ze altijd gul meedelen in hun rijkdom. Nu consumeert hun kroost zich suf, het liefst op kosten van pa en ma, hun kip met de gouden eieren. Terecht vrezen verbruikers dat hun kinderen als honden zullen vechten om de erfenis.