Poelslakzwemmen

Kathrin Spöcker Spöcker, Kathrin

Het kampeerseizoen moet nog beginnen maar het is nooit te vroeg voor het opdissen van kampeerervaringen. Een heel gruwelijke was: in september ’s avonds laat arriveren op een ruig landje in het zuiden van Frankrijk, niet ver van de bergen, met de laatste kracht de rugzaktent opzetten en dan, na lauwe wijn en nog zowat, uitgeput in slaap vallen. Tent opengelaten omdat het zo warm was en dan 's nachts wakker worden omdat er iets op het gezicht kletst. Het is zacht, maar koud, nat en kleverig. Als de zaklantaarn gevonden is blijken er wel veertig of vijftig gitzwarte en moddervette naaktslakken de tent te zijn binnengekropen. Ze zitten tegen het dak, als pruimen zo groot, en laten zich op willekeurige momenten vallen. Van de slakken die dat al eerder deden is een groot deel plat- en leeggedrukt onder de slaapzak. Als de dag eenmaal is aangebroken blijken er ook nog drie in de halflege beker wijn te zijn verdronken. Het glas is weer vol.

Zo leert men naaktslakken haten. Denk ook aan hun smerige geslachtsleven, de gewoonte om elkaars slijmspoor op te eten en de vaste reactie op schrik en ergernis: nòg meer slijm uitstoten. Copious quantities of slime, schrijft de Encyclopaedia Britannica. Er is geen dier dat de Fransen niet gebruiken in de keuken, maar de naaktslak slaan ze over.

Wat er aan nuttige kennis overblijft is dat de naaktslak buitensporig goed kan ruiken en een behoorlijke vaart kan ontwikkelen. Als er binnen vier uur vijftig vette naaktslakken een tent in kunnen kruipen dan moet hun snelheid over ruw terrein toch wel zeker een meter per uur zijn. (Aannemende dat er niet meer dan 1 naaktslak per m2 in het gebied zat.) Een meter per uur, dus 17 cm per minuut. De literatuur komt trouwens nog wel hoger uit.

Naaktslakken en huisjesslakken, slugs and snails , hebben het slijm nodig om vooruit te komen. Als het slijm ‘op’ is kan de slak niet verder. Wordt de slijmklier weggebrand dan is de slak ten dode opgeschreven. Daarop berust, schrijft de Britannica, een effectieve methoden om naaktslakken te bestrijden: as in de tuin strooien. De slakken raken zoveel slijm kwijt aan het overwinnen van de as dat zij van uitputting sterven. De Britse toon is zo triomfantelijk dat spontaan weer medeleven met de stille tobbers ontstaat.

Er wordt maar zelden uitgelegd wat er zo bijzonder is aan het zo onmisbare slijm. Dat is, voor zover valt na te gaan, ook pas in 1980 voor het eerst beschreven door de Canadese onderzoekers Mark W. Denny en John M. Gosline. Hun artikel in de Journal of Experimental Biology is op internet te vinden. Het slijm past zijn ‘visco-elastische’ eigenschappen aan aan de schuifspanning die erop wordt uitgeoefend. Blijft die spanning laag dan is het slijm onverzettelijk als taaie stopverf. Overstijgt de spanning een bepaalde waarde dan gedraagt het slijm zich opeens als een vloeistof. Onder de kruipende slak bevinden zich zones waarin ofwel weinig ofwel veel schuifspanning op de ondergrond wordt uitgeoefend. Ze ontstaan als spieren in de voet van de slak contractiegolven door de zool van die voet sturen. Men voelt wel aan dat dit tot voortbeweging kan leiden.

Nu naar een andere zomerbelevenis: roeien in Waterland, waar de meertjes maar zelden dieper zijn dan een meter en vaak nog niet eens half zo diep. De bodem te drabbig om er te kunnen zwemmen maar heel geschikt voor waterlelies, veenwortel, gele plomp, watergentiaan en nog veel meer. Karekieten en rietzangers links, rietgorzen en waterhoentjes rechts. En dan de ontmoeting met een kleine poelslak (Lymnaea stagnalis) die dapper maar moeizaam kruipend aan de onderzijde van de waterspiegel van de ene oever naar de ander probeert te komen. Een tocht over de bodem, door en over het zwarte veen, was natuurlijk onbegonnen werk. Hou toch op, roep je, maar hij luistert niet.

Thuis rijst de vraag: hoe doet hij dat, kruipen aan de onderkant van het wateroppervlak. Experts gebeld, malacologen zelfs, maar zij wisten het niet. Het internet op en vastgesteld dat de MIT-ploeg die in 2003 het lopen van schaatsenrijdertjes op de waterspiegel analyseerde (Nature, 7 augustus) binnenkort ook aan het ondersteboven lopen begint. Maar voorlopig was er nog niets te melden.

Trefwoorden veranderd, ‘locomotion’ gecombineerd met ‘snail’ en ‘freshwater’ en weer terecht gekomen in de Journal of Experimental Biology (1990), nu in een artikel van de Russen Deliagina en Orlovsky die de voortbeweging bestudeerden van de posthoornslak (Planorbis corneus), even algemeen als de poelslak en in staat tot hetzelfde kunstje. De posthoornslak doet het gewoon met trilharen, met cilia, het is al heel lang bekend en de Russen keken er niet van op. Daar ging het ze helemaal niet om. Zij vroegen zich af: wat wil de posthoornslak. Wat doet hij zoal de hele dag. Heeft de posthoornslak een plan? Ze stopten jonge slakken in grote cilindrische aquaria en hielden nauwgezet bij welke routes de slakken langs de wanden kozen. De tochten zijn in het artikel terug te vinden. Er schuilt grote koppigheid in de posthoornhoofdjes. Overdag trekken de slakken bij voorkeur horizontale baantjes, ’s nachts overwegend verticale. Stuiten ze op een hindernis dan trekken ze er omheen en hervatten de reis in de oorspronkelijke richting. Overdag horizontaal, ’s nachts verticaal. En niemand weet waarom.