‘Pas op voor groen kolonialisme uit het westen’

De mondiale reis- en toerismebranche groeit als kool, en daarmee de druk op het milieu. Een deel van de sector erkent dit. Maar: „Winst en ecotoerisme sluiten elkaar niet uit.”

Fadozangeres Mariza heeft een stem om cokes te kloppen. Ze vult met haar 100 decibel of meer gemakkelijk de binnenplaats van het Jerónimo-klooster in Lissabon, waar de top van de internationale reis- en toerisme-industrie dineert. Na zes nummers zet Mariza de microfoon uit:: „Dan zal ik u nu laten horen hoe ik ben begonnen met zingen, als kind in Mozambique.’’ Ze zet een keel op en vult met haar stemgeluid nog steeds het hele plein. „Zo kan het ook”, zegt ze. Het is haar symbolische manier om bij te dragen aan het milieu.

De reis- en toerisme-industrie, verenigd in de World Travel and Tourism Council (WTTC), was eerder deze maand voor haar jaarvergadering bijeen in Lissabon. De branche zit met een groot dilemma: de reis- en vakantielust van zakenmensen en toeristen is groter dan ooit tevoren (zie grafiek), maar de druk die daardoor op natuur en milieu wordt gelegd, stijgt navenant. Vliegreizen, hotelovernachtingen, cruises, het wegverkeer, alles neemt toe, genereert meer omzet voor de industrie én meer vervuiling. De omzet van de reis- en toerisme-industrie, inclusief alle toelevering, stijgt volgens een raming van de WTTC dit jaar met ruim 4 procent tot het astronomische bedrag van 5 biljoen euro (5.000 miljard).

Wordt de druk op natuur en milieu te groot? Ja, zegt Chris Luebkeman, een geoloog in dienst van het Britse consultancy bureau Arup: „Uit onafhankelijke wetenschappelijke rapporten blijkt dat klimaatverandering echt plaatsheeft. En het is aan ons om er iets aan te doen.” Ook Jeff Clark, topman van Travelport, een van de grootste reisondernemingen ter wereld, is om: „Reizen is voor de mens heel belangrijk. Het kweekt begrip voor elkaars culturen. En het zorgt ook voor wereldwijde economische integratie. Maar het overmatig gebruik van fossiele brandstoffen is een groot gevaar.”

Maar Maurice Flanagan, directeur van de Arabische maatschappij Emirates, noemt het milieuvraagstuk „flauwe kul”. „De bijdrage van vliegtuigen aan CO2 uitstoot is slechts 2 tot 3 procent. Milieuorganisaties doen het voorkomen alsof wij er alleen voor verantwoordelijk zijn. De koeien in Europa ademen meer CO2 uit dan alle vliegtuigen bij elkaar. En de internationale IT-sector stoot ook zo’n 3 procent uit, daar hoor ik nooit iemand over”, zegt Flanagan.

Stelios Haji-Iannou, oprichter en grootaandeelhouder van prijsvechter Easyjet, vindt dat de milieubeweging niet de reiswereld als geheel moet kritiseren. Hij wil onderscheid aanbrengen tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ maatschappijen (de low cost). „Greenpeace heeft nu de pik op prijsvechters, omdat wij zo snel groeien. Dat is niet terecht. Easyjet is wel degelijk begaan met het milieu. Wij hebben een hele jonge vloot, die veel minder vervuilt dan oude vliegtuigen.” Hij bepleit het verbieden van „brandstof zuipende” vliegtuigen ouder dan twintig jaar.

Sonu Shivdasani, directeur van de hotelketen Six Senses, is het daar niet mee eens. Easyjet maakt zich er te gemakkelijk van af, iedereen vervuilt, zegt hij. Hoe zuinig een vliegtuig ook is, door de stijging van het aantal reizen gaat de totale uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen toch omhoog. Te vaak zouden bedrijven excuses gebruiken om niets te doen. „Terwijl het wel kan. Ons bedrijf streeft naar een ‘nul-emissie-beleid’ in 2010 en we zijn goed op weg.” Six Senses, dat luxe vakantieoorden runt, maakt veel gebruik van duurzame energie, recycling, biologisch eten en de inzet van lokale arbeid. Shivdasani erkent dat daar wel een prijskaartje aan hangt: vakanties bij hem zijn veel duurder dan elders. Het risico bestaat zo dat toerisme een eliteproduct wordt, zoals dat tot begin jaren zeventig ook het geval was.

Moet de vakantie voor een breed publiek verdwijnen om het milieu te redden? Volgens de WTTC is er een kentering gaande in de toerisme-branche en bij consumenten. Zorg om het milieu kan voor bedrijven in plaats van een kost ook een baat worden, legt Costas Christ, werkzaam op de milieuafdeling van WTTC, uit. „Consumenten zijn in toenemende mate bereid een bijdrage te leveren aan het milieu als ze een reis boeken. Volgens onze berekeningen willen zakenreizigers en toeristen wel 10 procent meer voor hun reis betalen als ze er zeker van zijn dat het milieu daarmee gediend is. Daar moet de reisindustrie gebruik van maken. En overheden zouden milieuvriendelijke bedrijven een voorkeursbehandeling dienen te geven. Bedrijven kunnen zich profileren met hun ecomerk en daarvan een marketinginstrument maken om klanten te lokken.”

Consumenten hebben wel vaker goede voornemens, maar uitvoeren is vers twee. Wat als er niet genoeg wordt gedaan voor natuur en milieu? Christ sluit in dat geval niet uit dat er quota worden ingesteld voor toegang tot stranden, natuurgebieden, of hele landen. „Wat een land als Bhutan doet: een beperkt aantal buitenlandse bezoekers toelaten tegen een hoge prijs, is eigenlijk ideaal, alleen niet werkbaar voor de meeste landen. Omgekeerd zijn er ook landen, zoals Griekenland, die helemaal niets om het milieu geven.” De Grieken bouwen veel te veel hotels zegt Costas Christ – een Amerikaan van Griekse afkomst – op hun eilanden en laten na de negatieve gevolgen van het toerisme aan te pakken, zoals vervuiling.

Daar staan andere naties tegenover, zoals Costa Rica, Namibië en Australië, die de WTTC worden geroemd om hun grote aandacht voor het milieu.

Christ: „Het is ook een misverstand dat het maken van winst en bescherming van het milieu twee tegengestelde belangen zijn. In tegendeel: verstandig gebruik maken van schaarse middelen levert juist meer op. Veel bedrijven kunnen makkelijk 40 procent besparen op hun energierekening. Investeren in het milieu kost eerst geld, maar leidt daarna tot winst.”

Stelios beaamt dat. Bij Easyhotels, een van zijn vele dochterondernemingen, moeten gasten betalen voor gebruik van televisie, extra handdoeken en andere niet strikt noodzakelijke producten. Easyhotel krijgt zo meer inkomsten, terwijl de kosten door minder stroomverbruik en minder wasbeurten dalen en dat is ook goed voor het milieu.

Maar Alex Khajavi, directeur van de Costa-Ricaanse Nature Air Group, gespecialiseerd in ecotoerisme, waarschuwt voor ‘groen kolonialisme’ en een tegenstelling tussen noord en zuid. „Aandacht voor het milieu is een zaak die speelt in rijke landen, die hun ideeën proberen op te leggen aan de rest van de wereld.” En dat terwijl het de ontwikkelde wereld is die reist en vakantie viert en zo het meest vervuilt. Ontwikkelingslanden hebben eigenlijk het ‘recht’ roofbouw te plegen op de natuur, zoals de industrielanden dat in het verleden ook hebben gedaan, redeneert Khajavi, alleen zou het ecosysteem van de wereld dat niet meer aankunnen. De reiswereld moet met een mondiaal systeem van ecotoerisme komen, als norm, niet als excentriek duur label.

Voor Sonu Shivdasani is de grote vraag hoeveel tijd er nog is: „Als de huidige klimaattrend doorzet en als we gebruik blijven maken van de huidige technologie om mensen te transporteren en hotels van energie te voorzien, zal het woord ‘toerisme’ een loos begrip worden en sterft de toerisme-industrie uiteindelijk geheel uit.”

Stelios Haji-Iannou wuift het weg: „Milieu? Prima, maar het zal zo’n vaart niet lopen. We moeten er voor waken dat reizen als zonde wordt gezien. Mensen mogen zich niet schuldig voelen als ze de Acropolis willen zien.”