Oestrogenen in het water decimeren visstand snel

De dikkop elrits, ‘Pimephales promelas’, kan niet tegen oestrogeen in zijn water. De vis kan zich dan niet goed voortplanten.

Vrouwelijke hormonen (oestrogenen) uit urine die via het rioolwater in het oppervlaktewater terecht komen bedreigen de visstand. Dat blijkt uit Canadees-Amerikaans onderzoek waarbij een meertje in Canada opzettelijk met oestrogenen werd vervuild. De daar aanwezige populatie dikkop elritsen werd zo onvruchtbaar dat er na twee jaar praktisch geen vis meer over was.

Het in 1999 opgezette langlopende onderzoek, geleid door Karen Kidd van het Freshwater Institute in Winnipeg, is een samenwerking tussen Canadese visserijbiologen en de Amerikaanse milieudienst EPA. De verontrustende directe uitkomst van het werk stond eerder in het blad Environmental Toxicology and Chemistry (juni 2003). Deze week publiceren de Proceedings of the National Academy of Sciences de eindresultaten. Nieuw is dat de vispopulatie zich twee jaar na beëindiging van de proef totaal niet had hersteld.

Het team onderzoekers gebruikte drie meren uit de befaamde Experimental Lakes Area (ELA) in Canada als proefbassins. De ELA ligt midden Canada in een zwaar bebost gebied waar van nature een enorm aantal meren en meertjes voorkomt dat onderling zowel qua geologie als ecologie grote overeenkomsten vertoont. De ELA-meren worden al decennialang gebruikt voor allerlei ecologisch onderzoek. Men voert een experiment (fosfaatverrijking, pesticidenvervuiling) in het ene meer uit en gebruikt naburige onverstoorde meren als controle-proeven.

Voor het oestrogenen-onderzoek werd het meer met nummer 260 in drie opvolgende jaren (2001-2003) minimaal vervuild met het synthetische oestrogeen ethinyloestradiol (EE2, dat is het oestrogeen dat in veel anticonceptiepillen voorkomt). EE2 wordt in de gewone rioolwaterzuiveringsinstallaties niet volledig afgebroken en komt daardoor soms in aanzienlijke hoeveelheden voor in oppervlaktewater. Al eerder is in laboratorium-onderzoek aangetoond dat de concentraties hoog genoeg kunnen worden om frappante fysiologische veranderingen teweeg te brengen bij vissen. Vaak treedt bij mannetjes een karakteristieke ‘feminisatie’ op: ze beginnen eicellen aan te leggen binnen de testis en produceren stoffen (zoals vitellogenine) die alleen nut hebben voor de eidooier-ontwikkeling. De vruchtbaarheid neemt sterk af.

De onderzoekers brachten de concentratie EE2 in meer 260 in het voorjaar van 2001 op een waarde die ook vaak in het afvoerwater van zuiveringsinstallaties wordt gemeten. Zij kozen het van nature aanwezige visje Pimephales promelas (een elrits) als proefopject. Dit dier is pas na een jaar geslachtsrijp en wordt in de natuur gemiddeld maar twee jaar oud. Al zeven weken na de eerste EE2-toevoeging traden de eerste fysiologische veranderingen (vitellogenine-productie) op. In het najaar van 2002 was de populatie gedecimeerd, in 2004 was hij nagenoeg verdwenen. Herstel is uitgebleven. Het is zaak bij milieu-normering vooral te letten op vissen met een korte levenscyclus, concluderen de onderzoekers. Karel Knip