Nog even en het talent wordt uit de wieg gehaald

Talenten worden dankzij goed speurwerk al op jonge leeftijd door een topteam of een selectieploeg ingelijfd. Bij voetbal scouten de clubs, bij andere sporten doen de bonden het werk. ‘Een Ajax-shirt is dertig kilo zwaarder.’

Met weemoed denkt Ton Pronk (66) terug aan de periode dat hij zonder noemenswaardige concurrentie de Fin Jari Litmanen en de Nigerianen Finidi George en Nwankwo Kanu aan Ajax kon binden. Zulke talenten worden nu in een heel vroeg stadium gespot. En bij de internationale jeugdtoernooien struikelt de hoofdscout van Ajax inmiddels over collega’s en managers die geld ruiken. Pronk: „Ik zeg wel eens gekscherend: nog even en we moeten bij de geboorte aanwezig zijn.”

Ajax heeft een naam hoog te houden als opleidingsinstituut, maar de succesformule wordt steeds vaker gekopieerd. Voorbij is het pionierswerk van de jaren zeventig en tachtig toen Ajax hapsnap naar talent speurde. Sinds de jaren negentig gaat de club gestructureerd te werk. Ajax zoekt nu spelers die passen in specifieke profielen én in de cultuur van aanvallend voetbal. Ajax kan zich alleen onderscheiden bij de F-pupillen: tot en met acht jaar. Pronk: „Op het moment dat je wordt getipt, moet je al beslissen over een contract, omdat de zaakwaarnemers ook andere clubs hebben benaderd. Wij hebben nog geluk dat veel spelers afkomen op de naam Ajax en de kwaliteit van onze opleiding.”

Natuurlijk bezoekt Pronk, die per 1 juli met pensioen gaat, volgende maand het EK voor spelers onder 21 jaar, maar strikt genomen heeft hij er als scout niets te zoeken. „Spelers die eruit zullen springen, kennen we al. Zo niet, dan hebben we ons werk slecht gedaan. En dat geldt ook voor de kampioenschappen onder 19 jaar en onder 17 jaar.”

Hoewel het scoutingsformulier van Ajax vijftig kenmerken vermeldt waaraan een talent moet voldoen, is herkenning volgens Pronk een kwestie van ervaring en vooral Fingerspitzengefühl. „Bij Ajax is niets goed genoeg. Gerrie Mühren, een van onze scouts, heeft wel eens gezegd: ‘Een Ajax-shirt is 30 kilo zwaarder dan elk ander shirt’. De norm bij Ajax, waar tien specialisten fulltime de velden afstropen, ligt enorm hoog. Hoe gedraagt een speler zich als hij door 50.000 toeschouwers wordt uitgefloten?”

Bij andere sporten is het opsporen van talent minder professioneel geregeld. Bij volleybal en handbal zoeken vooral de bonden naar talent, bij hockey gaat het initiatief meer van de spelers zelf uit. En bij turnen is de blik gericht op de zeven- en achtjarigen, omdat talenten zonder een basisopleiding na hun twaalfde fysiek niet meer in staat zijn de top te halen.

„Natuurlijk zijn onze topclubs op zoek naar talent”, zegt directeur Johan Wakkie van de hockeybond, „maar dat gaat niet gestructureerd. Als coaches in de regio een goede speler ontdekken, zal die benaderd worden, maar het omgekeerde komt vaker voor. Talenten die ambitieus zijn gaan zelf op zoek naar een goede club.”

Bondscoach Sjors Röttger van de handbalvrouwen vertelt dat er bij afdelingskampioenschappen talenten komen bovendrijven die vanaf hun veertiende eerst in een van de negen afdelingen worden getraind en vervolgens kunnen doorstromen naar een uit dertig meisjes bestaande nationale jeugdselectie, die wekelijks op Papendal traint. Röttger: „Maar ik kijk ook naar meisjes van acht en negen jaar. Die houden we dan in de gaten tot ze oud genoeg zijn voor een nationale selectie. Wij scouten volgens vijf criteria: technische vaardigheden, tactisch inzicht, fysieke gesteldheid, mentale weerbaarheid en sociaal gedrag.”

Röttger hoopt zo de instroom op de Handbal Academie op Papendal te garanderen én het internationale niveau hoog te houden. Op de academie zitten de beste speelsters uit de nationale competitie. Zij combineren sport met studie. In de weekeinden spelen zij voor hun eigen club. Zij zien ‘Papendal’ als een opstap naar de sterke competities van Duitsland of Denemarken waar de meeste Nederlandse internationals spelen.

Het handbalverbond heeft plannen de opleiding verspreid over het land uit te breiden met vijftien tot twintig handbalscholen. Gedacht wordt aan integratie van de handbalopleiding in een bestaande middelbare school. Röttger: „Dan heb je een geweldig opleidingsmodel.”

Bij de volleybalbond (NeVoBo) wordt ook gescout. Arjen Boonstoppel, manager Topsport, vertelt dat jongens en meisjes vanaf hun twaalfde geselecteerd worden en doorstromen naar de Volleybalschool, waar zij elke zondag een centrale training hebben. Voor de C-jeugd op vijf plaatsen in het land, voor de B-jeugd op drie plaatsen en voor de A-jeugd op één, die tegelijk Jeugd Oranje vormt.

De actieve houding van de bond staat in schril contrast met de clubs. Technisch manager Ank Bijl van Nesselande: „Het rendement is nihil. Je moet er veel voor doen om uiteindelijk drie of vier talenten binnen te halen. Het enige wat wij doen is talenten bij omringende clubs één keer per week bij ons te laten trainen.”

Op soortgelijke wijze probeert turnclub Heerenveen talenten te werven. Trainer Gerard Speerstra, die bij de bond technisch coördinator voor de mannen is, zet één keer per week de deuren open voor alle kinderen tot acht jaar uit Noord-Nederland. Speerstra: „We kijken het een half jaar aan om dan de trainingsintensiteit op te voeren, zodat we kunnen zien hoe snel ze bewegingen aanleren. Die lage leeftijd is noodzakelijk, omdat een kind tot zijn twaalfde nog iets is aan te leren. Op zijn twaalfde zit zijn ‘harde schijf’ vol en kan er coördinatief weinig worden bijgeleerd. We gaan niet actief op zoek; we benaderen hooguit een trainer. We bieden ook alleen maar goede faciliteiten en goede trainers. En hoe goed ze ook zijn, turners moeten bij ons gewoon contributie betalen.”