Narrentekeningen

Tekeningen op plafonds en wanden in de mergelgroeven bij Maastricht blijken uit de veertiende en vijftiende eeuw te stammen. Theo Toebosch

“Deze groevetekeningen tonen een volkse variant van het werk van Jeroen Bosch.” Zegt Jos Koldeweij, hoogleraar Kunstgeschiedenis van de Middeleeuwen aan de Radboud Universiteit Nijmegen (RUN), over een vijftigtal groevetekeningen waarvan nu na kunsthistorisch onderzoek en met koolstof-14-dateringen de leeftijd is bepaald. Het blijken de oudste bekende groevetekeningen in Nederland. Ze zijn te zien in een groeve in de St. Pietersberg bij Maastricht en geven een beeld van het laatmiddeleeuwse leven.

Onder ingewijden, vooral leden van de Studiegroep Onderaardse Kalksteengroeven (SOK), was al langer bekend dat op de wanden en de soms twaalf meter hoge plafonds van de Caestertgroeve tekeningen te zien waren. Ze zijn gemaakt met houtskool, rode krijt en roet van oliepitlampen. Enkele werden al in 1951 gefotografeerd. En dat is maar goed ook want twintig van de vijftig nu bestudeerde tekeningen bevonden zich in een gang die dat jaar instortte.

Henk Blaauw, gepensioneerd chemicus van de Nijmeegse universiteit, opgegroeid in de buurt van Maastricht en lid van de SOK, wilde nu wel eens weten hoe oud de tekeningen waren. Hij haalde Koldeweij erbij voor het kunsthistorisch onderzoek. Op basis van de stijl en voorstellingen komen Koldeweij en Femke Speelberg en Jacoline Zilverschoon, twee studenten van Koldeweij die de tekeningen hebben geïnventariseerd, tot de conclusie dat ze uit de veertiende en vijftiende eeuw stammen. De dateringen zijn bevestigd door C14-onderzoek door een laboratorium in Kiel. Koldeweij: “In een van de gangen staat in mooi gotisch schrift dat ene Lambier le Pondeur hier op 19 augustus 1468 is geweest. De C-14-datering klopte precies: tweede helft 15de eeuw.”

Een aantal tekeningen is gemaakt door blokbrekers, de mannen die voor exploitatie blokken mergel uit de groeven hakten. Door van boven naar beneden te werken zijn hun tekeningen steeds hoger komen te hangen. Een tekening van een nar met blokbrekersgereedschap in de hand geeft aan dat de blokbrekers zelf vonden dat je een zot moest zijn om dit zware werk te doen.

Veel tijd om te niksen zullen de blokbrekers niet hebben gehad en daarom gaan Koldeweij en zijn studenten er van uit dat de grote, gedetailleerde tekeningen door anderen zijn gemaakt. “Het waren rumoerige tijden. Ze kunnen door vluchtelingen gemaakt zijn.” Zo kan de inscriptie van Lambier le Pondeur gemaakt zijn door iemand die hoorde tot het gezelschap van de Luikse bisschop Louis de Bourbon die in augustus 1468 op de vlucht sloeg voor een woedende Luikse bevolking.

De profane en heilige onderwerpen van de tekeningen komen volgens Koldeweij uit de middeleeuwse volkskunst en volksdevotie. “Afbeeldingen van St. Joris en de draak, speelborden en seksuele handelingen zijn ook te zien op de goedkope tinnen insignes die in de middeleeuwen her en der te krijgen waren. En de galgen slaan waarschijnlijk op de executieplaats, die vlakbij was, in Wijck.”

Koldeweij hoopt dat de tekeningen in de toekomst beschermd zullen worden. “Maar dat moet internationaal gebeuren, want de gangen van de groeve lopen over Nederlands, Vlaams en Waals grondgebied.”

Van 2 juni tot 29 juli is in het Regionaal Historisch Centrum Limburg in Maastricht de tentoonstelling Zotheid in de duisternis, Middeleeuwse tekeningen in de St. Pietersberg te zien.