Nachtkokkinnen

Ze koken en wachten en dan koken ze weer. Volledig leven volgens Mary en Christina Burke.

Op de hoek van Connecticut Avenue en Ordway Street staat wat stadsmeubilair, meestal bezet door mensen die snel iets uit California Tortilla op de hoek eten. Twee vrouwen, zichtbaar moeder en dochter, eten nooit. Ze lijken altijd moe, hun hoofd rust in hun armen. En altijd staan naast hen twee grote koffers op wieltjes.

Het is nog vroeg. Rondom ons snellen mijn geslaagde buurtgenoten naar de metro, naar de advocatenkantoren, de lobbyfirma’s, de denktanks. Mag ik gaan zitten? Dat mag.

De dochter wijst meteen op de koffers: „Onze pannen. En de kruiden.”

Zij hebben al gewerkt, vult de moeder vlug aan.

Mary Burke, achtenzestig jaar en Christina Burke, eenenveertig. Nachtkokkinnen.

Ze werken bij gezinnen thuis, leggen ze uit. In één nacht koken ze er voor de hele week.

Je hebt onzichtbare krachten die de stad op poten houden. Van nachtkokkinnen had ik nog nooit gehoord. Ik vraag of ze mee gaan ontbijten, bij Foster Brothers verderop. Daarvoor wordt bedankt: „Ze willen ons niet binnenhebben, met die koffers.”

Ze zullen er denken dat ze dakloos zijn, maar we zeggen dat niet hardop, want we weten alle drie dat ik dat ook dacht, elke ochtend dat we hier naar elkaar glimlachten. Ach kijk. Wat een keurige daklozen.

Thee en een bagel op straat, dat willen ze wel.

Christina en Mary beginnen pas te koken als een gezin slaapt. Om een uur of tien. Eerst de taarten, de cheesecake en de brownies. Dan de kip, het vlees, wat vis. Daarna de groenten, tot slot de desserts.

Tegen vijven zijn ze klaar. Ze hangen nog een uurtje rond. Zetten alles in de vriezer, schrijven wat briefjes met aanwijzingen voor het opwarmen. En dan gaan ze stilletjes naar buiten.

Maar nu is het negen uur en ze zitten hier nóg.

„We wachten tot de bibliotheek opengaat. Daar bekijken we onze e-mail en we zoeken er nieuwe recepten op.”

Zo sukkelen ze de dag door. Ze slapen een beetje, op straat, in de bibliotheek. Tot het tijd is voor het volgende kookadres. Of totdat een vriend, die in de stad werkt, hun een lift geeft naar hun huis in Columbia, een uur rijden.

Drie uur zitten ze hier al!

„Wij vinden dat helemaal niet erg. Wij praten een beetje na.”

„Over mama’s kipsalade. Dat ze er weer om smeken.”

„En we maken boodschappenlijstjes. De mensen moeten zelf de inkopen doen.”

„Mijn moeder kijkt eerst wat er allemaal in de aanbieding is. Bij Safeway, de Giant. Daarmee bedenken we wat.”

„Maar dan kopen ze het toch weer duur in de Wholefoods.”

Christina en Mary vragen samen 250 dollar voor één nacht koken. Dan krijg je zes maaltijden voor vier personen, plus de zoetigheid voor tussendoor. Christina pakt een map met recepten uit haar koffer. Gembercake met citroensaus. Gevulde hamburgers. Kalkoensoep. Bonensalade.

„Heb je wel eens spruiten gebakken?”

„Met appel en bacon?”

Ik hou niet van koken. Zij kijken meelevend.

„Maar soep! Soep is goed eten en altijd gezond.”

Toen Mary twaalf was, kookte ze thuis al alle maaltijden. Voor twaalf kinderen en haar ouders, die dubbele banen hadden. Ze kreeg zelf twee dochters, een alleenstaande moeder met twee banen, en in het weekend kookte ze voor de hele week.

„Jullie hebben geen dag ongezond gegeten.”

„Als jij thuiskwam, was je moe. Maar je controleerde altijd nog onze schooltassen en of we alles opgegeten hadden.”

Ze glimlachen naar elkaar.

Zo ging het jaren. Tot de dominee ging scheiden. „Zijn vrouw werkte ook en zei op een dag: schat, ik heb al een baan en ik ben je kok niet. Dat deed de deur dicht.”

Christina zag een gat in de markt. Bijna alle vrouwen werken hier ook fulltime. Nu koken ze drie nachten per week, bij drie gezinnen in blank Noordwest. Drieduizend dollar per maand, het is te doen, want ze wonen nog altijd samen.

„We werken niet alleen voor de rijken. Ik heb vrouwen in mijn eigen straat geleerd hoe je moet koken. En nu koken zij ook voor anderen. Is het hún baan.”

„Mama, zei ik. We pakken onze pannen in en we beginnen gewoon een bedrijf.”

Twee dagen later, vroeg in de avond. Wij liepen over Connecticut naar Yannis, de Griek. Daar zaten ze weer, nu kaarsrecht op het bankje voor de bibliotheek. Fris als een hoentje, lachend, en nog uren te gaan voordat de pannen uit de koffers konden.

Ze hadden nog iets bedacht.

„Amerikanen hebben zoveel aan hun leven toegevoegd.”

„Wij koken alleen maar.”

„En dat is de diepere bedoeling, denken wij.”

De nachtkokkinnen straalden.