Met twee woorden

Deze week is het driehonderd jaar geleden dat Carl von Linné geboren werd. Zijn tweedelige Latijnse naamgeving van soorten is nog onveranderd in gebruik. Maar genetische barcodes zijn in opmars.

Sander Voormolen

Titelpagina van Linnaeus’ beroemde boek Systema Naturae. Foto KVA KVA

Als hulpmiddeltje voor zijn studenten, zo ontstond Linnaeus’ naamgevingssysteem met twee woorden. “Vóór Linnaeus werden soorten vaak aangeduid door een beschrijvend zinnetje in het Latijn”, zegt Marc Sosef, hoogleraar biosystematiek in Wageningen. “Dat waren vaak drie of vier woorden achter elkaar, maar soms ook zinnen van dertig tot veertig woorden. Dat was natuurlijk onwerkbaar.”

De destijds gangbare naam voor duizendblad (Achillea millefolium) was bijvoorbeeld Achillea foliis dulpicatopinnatis glabris laciniis linearibus acute laceanitis. Linnaeus (1707-1778) merkte op dat zijn studenten deze plant tijdens veldexcursies simpelweg noteerden als ‘Achillea no.5’, omdat dit de vijfde Achillea was die Linnaeus beschreef in zijn Flora Suecica uit 1745.

Linnaeus besloot radicaal orde op zaken te stellen. Hij benoemde iedere soort met een combinatie van twee Latijnse woorden: een genusnaam die het geslacht van de soort aanduidt en een zogeheten epitheton dat de soort specificeert. Het bracht een sterke vereenvoudiging in de naamgeving van alle bekende soorten.

Het was een revolutie, zegt Sosef: “ Het simpeler systeem van Linnaeus werd echter direct overal overgenomen. Die nieuwe ordening kwam op het juiste moment, want zeker in de VOC-tijd waarin Linnaeus leefde groeide het aantal nieuwe soorten dat uit de tropen bekend werd exponentieel.”

Het binominale systeem als standaard voor de naamgeving van soorten is daarom “vergelijkbaar met het opstellen van het Periodiek Systeem der elementen door Dimitri Mendelejev of met de uitvinding van het muziekschrift”, zegt de Leidse slakkentaxonoom Edi Gittenberger. “Het systeem van Linnaeus voldoet na bijna driehonderd jaar nog steeds, en er zijn geen serieuze pogingen om een concurrerend systeem te ontwerpen.”

Gittenberger: “Het is enorm knap wat Linnaeus gepresteerd heeft. Het heeft de internationalisering van de wetenschap flink bevorderd. Iedereen hanteert nu wereldwijd één naam voor een soort organisme. Linnaeus heeft vast wel voorgangers gehad die ook zo’n namensysteem hebben ontworpen, en als je goed zoekt dan zul je die ook wel vinden. Maar het verschil is dat het systeem van Linnaeus door iedereen werd overgenomen.

“Het is opvallend dat hij zo snel navolging kreeg, dat hij zelfs in zijn eigen tijd al succes had. Het hing in de lucht zou je kunnen zeggen, de wetenschap was toe aan een nieuwe ordening. Daarnaast speelde zeker een rol dat Linnaeus zich heel modern gedroeg; hij was internationaal georiënteerd en had veel contacten met andere wetenschappers en met geldschieters.”

strikte regels

Was Linnaeus in zijn naamgeving nog eigen baas, en was zijn fantasie de enige beperking, tegenwoordig ligt de wetenschappelijke naamgeving vast in strikte regels. Iedere soort moet een unieke naam hebben en deze moet uit te spreken zijn. Aanstootgevende of beledigende namen zijn niet toegestaan, daar zien internationale commissies streng op toe. Aan de andere kant mogen wetenschappers eenmaal vastgelegde namen niet meer zo maar veranderen. Dat geldt zelfs voor spelfouten. Daarom heeft bijvoorbeeld Haliaeetus, de Latijnse naam voor het geslacht van de zeearend, voor altijd een e te veel.

De Latijnse namen van soorten beschrijven doorgaans opvallende kenmerken van het organisme of refereren aan de herkomst ervan. Vaak ook wordt in de naam een grootheid in het vakgebied eer bewezen door deze te vernoemen, of krijgt de soort de naam van zijn ontdekker mee. Maar af en toe gaat het er bij de naamgeving wat frivoler aan toe, zelfs op het melige af. Insectendeskundige Arnold Menke doopte een nieuwe Australische wespensoort in 1977 Aha ha. In 1987 noemde David Steadman een recent uitgestorven papegaaiensoort van het geslacht Vini spottend Vini vidivici. Twee verwante nieuwe mottensoorten heten dankzij Blesynski sinds 1966 La cucuracha en La paloma. In 1995 voegde onderzoeker Landry er La cerveza aan toe. De geslachtsnaam La, geïntroduceerd met de mottensoort La spatule (Bonnaterre, 1788), biedt ruimte aan woordspelingen.

Inspiratie voor soortnamen komt ook van filmfiguren, popsterren en andere beroemdheden. Daarvan getuigen de cicades Baeturia laureli en B. hardyi, de mijt Darthvaderum, en de Tibetaanse mot Dalailama (voor een uitgebreide lijst met curieuze namen zie: http://cache.ucr.edu/~heraty/yanega.html).

trivialiteit

Wordt hier serieuze wetenschap door trivialiteit te grabbel gegooid? Gittenberger haalt er laconiek de schouders over op: “De betekenis van de Latijnse naam is minimaal, en dat geeft niet want het is alleen belangrijk als herkenning.”

De slakkentaxonoom geeft toe zelf ook te hebben bijgedragen aan het geven van onzinnamen. “Ik benoemde het genus Ganula. Dat woord betekent niets, maar is een vrije associatie op lanugo, de naam voor de fijne beharing op het dier. Nog een voorbeeld: jaren geleden deden we onderzoek in de Pyreneeën, en een collega wilde ons wel rijden in zijn auto. Gekscherend beloofden we hem te vernoemen als we een nieuwe soort vonden. En verdraaid, dat was het geval. Hij heette Jungbluth, dus werd de naam van het slakje Juveni sanguis. Dat heeft onbedoeld ook een minder vleiende betekenis als de spatie verschuift: Juvenis anguis betekent addergebroed.”

Maar ook serieuze namen kunnen misleidend zijn, weet Gittenberger. “Een soort kan het epitheton guadeloupensis dragen en dan weet je dat hij waarschijnlijk op het eiland Guadeloupe voor het eerst gevonden is. Dat er daarna nog vijf verwante soorten op dat eiland gevonden zijn, die evenveel recht zouden hebben op zo’n naam, lees je er niet aan af.”

Soms krijgen soorten onbedoeld dezelfde naam, dat zijn zogeheten homonymen. Dan geldt in principe dat de soort die het eerst is beschreven deze naam mag houden, de ander moet een nieuwe krijgen. Nog steeds worden er dubbelgangers ontdekt, versterkt door de komst van internet, waardoor ook veel oude publicaties in obscure tijdschriften ontsloten worden.

ontdubbeling

Maar de ontdubbeling beperkt zich tot het rijk waartoe de organismen behoren. Twee verschillende plantensoorten mogen niet dezelfde naam dragen, maar een dier en een plant kunnen wel met dezelfde naam door het leven gaan. Dierkundigen, botanici en bacteriologen hebben ieder hun eigen ‘wetboek’ voor de naamgeving. Dus zijn er planten- en dierengeslachten met een identieke naam. De genusnaam Iris bestaat zowel voor een bolgewas als voor een bidsprinkhaan, Erica is heide maar ook een springspinnetje, en met Cannabis wordt niet alleen hennep aangeduid maar ook een vogelgeslacht. Hilarisch wordt het bij de genusnaam Lactarius, die zowel is vergeven aan paddestoelen als aan vissen; er bestaat een vis met de naam Lactarius nonfungus en een paddestoel met de naam Lactarius nonpiscis.

Gittenberger weet één voorbeeld waarbij een homonym uit verschillende rijken toch tot een naamsverandering heeft geleid, maar dat had dan ook te maken met een verhuizing naar een ander rijk. “De schimmels vallen van oudsher onder het botanische naamgevingssysteem. Trichia is een geslacht van slijmschimmels maar er waren ook landslakken met dezelfde genusnaam. Toen de slijmschimmels vanwege nieuwe wetenschappelijke inzichten bij het dierenrijk werden gevoegd, moest de naam van de landslakken veranderen, want die was later gegeven. De slak heet nu Trochulus.”

Verschuivingen, met soms als gevolg daarvan nieuwe naamgeving, zijn schering en inslag in de dieren- en plantentaxonomie. Dat komt omdat de indeling vooral gebaseerd was op uiterlijke kenmerken. Die kunnen verraderlijk zijn doordat soorten door het leven in vergelijkbare omstandigheden dezelfde evolutionaire ontwikkeling hebben doorgemaakt en er dus sterk op elkaar lijken. Bestudering van het DNA geeft een betrouwbaarder beeld van de verwantschap. Op die basis verhuisde bijvoorbeeld begin dit jaar de grootste bloem ter wereld, Rafflesia arnoldii, die voorheen niet in de te delen was naar de familie van wolfsmelkachtigen. En eind jaren negentig plaatsten genenonderzoekers de klipdas, een dier ter grootte van een konijn, in dezelfde stamboom als de olifant.

Het DNA-onderzoek leidt soms tot verrassende resultaten, beaamt Gittenberger: “Zo ontdekte mijn promovendus Dennis Uit de Weerd dat landslakjes van de subfamilie Alopiinae uit Griekenland verkeerd waren ingedeeld. Ze waren aanvankelijk op basis van hun huisjesvorm op één hoop gegooid, maar later in diverse geslachten uitgesplitst omdat ze verschilden in anatomie en de vorm van de opening van het huisje. Maar DNA-onderzoek liet zien dat de oudste opvatting in dit geval toch de juiste was.”

barcode

De vraag is of de wetenschap het aloude Linneaanse systeem niet moet verruilen voor moderne DNA-systematiek. Onder leiding van het Smithsonian Institution in Washington werken wetenschappers aan het project ‘Barcoding of life’. Daarbij proberen zij in het DNA een fragment te vinden dat voor alle soorten organismen een unieke code heeft. De beste kandidaat tot nu toe is het gen CO1, een stukje mitochondriaal DNA dat inderdaad heel erg variabel is tussen soorten. “Maar er zijn uitzonderingen”, waarschuwt Gittenberger. “Bij holtedieren, zoals kwallen, koralen en anemonen, is er nauwelijks verschil in dit gen. Er zijn groepen koralen die vanaf het Plioceen, miljoenen jaren geleden, van elkaar gescheiden zijn maar die niet op basis CO1 te onderscheiden zijn. Zo’n barcode geeft dus niet altijd uitsluitsel over de soort.

“Bovendien is het probleem met dit soort barcodes dat een sequentie van zeshonderd nucleotiden niemand iets zegt. Geen hond kan dat onthouden. Daarom kan het niet meer zijn dan een aanvullend systeem. Linnaeus blijft overeind.”

De klassieke naamgeving ligt in de microbiologie wel zwaar onder vuur, zegt bacterietaxonoom Peter Vandamme van de Universiteit Gent. “De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat een bacteriesoort geen statisch geheel is. Bacteriën, de ene soort meer dan de ander, zijn ertoe geneigd onderling grote stukken DNA uit te wisselen, ook over de soortgrenzen heen. Daardoor is het bij bacteriën niet zo duidelijk waar een soort begint en eindigt.”

De bekende bacteriën hebben nu allemaal een Linneaanse naam. Dit zijn vooral de ziekteverwekkers en de nuttige bacteriën. Recente metagenomics-analyses, waarbij onderzoekers aan de hand van DNA de microbiële diversiteit in een schep grond of zeewater bepaalden, toonden echter aan dat de werkelijke diversiteit van bacteriën gigantisch groot is. Vandamme: “Er zijn duizenden en duizenden onbeschreven soorten. Als we die allemaal een op een een naam zouden moeten geven, dan komen we inspiratie te kort.”

Volgens de Gentse bacterietaxonoom kan alleen een numeriek systeem op basis van het volledige genoom van bacteriesoorten de echte natuurlijke diversiteit beschrijven. “Maar mocht er eens een nieuwe bacterie tussen zitten die heel belangrijk blijkt te zijn, dan kunnen we daar natuurlijk gewoon een naam voor bedenken in plaats van een code van een hele reeks cijfers.”