Met hoofddoek op ballen voor 5 euro per maand

Honkballende Antillianen, voetballende Marokkanen – ze zijn er volop, maar ze vertekenen het beeld. Allochtone jongeren sporten minder dan autochtone en zijn minder vaak lid van een sportclub. VWS en NOC*NSF voeren actie.

Bay su tras field é: ga achter de bal aan en pak hem op. Sigfried Hato, een vijftiger met buikje in wit trainingspak, houdt zijn pupillen vanaf de werpheuvel nauwlettend in de gaten. „Blijf laag, blijf laag”, roept de honkbalcoach als de ruggen bij het fielden te veel worden gestrekt. Op een voormalig voetbalveld in Tilburg-Noord hangt een eerbiedige stilte als de generaal zijn manschappen aanwijzingen geeft. Dat is wel eens anders geweest, vertelt hij later.

Twee keer per week trainen ze, de 26 Antilliaanse jongens die net zo beroemd hopen te worden als hun idool Andruw Jones, de Curaçaose profhonkballer van de Atlanta Braves. Waar ze vroeger overlast veroorzaakten in de straten van Tilburg, brengen ze nu hun vrije uurtjes op het geïmproviseerde honkbalveld door.

„Ik ben hun coach én hun vader”, zegt assistent-trainer Pearcy Gijsbertha (44), die als twintiger voor de Antilliaanse honkbalselectie speelde. „Ze krijgen onderdak, eten en een luisterend oor. En ik moet zeggen: die aanpak werpt zijn vruchten af.”

John Leonard (19) zwijgt langdurig op de vraag waarom hij voor het team van Hato en Percy honkbalt. „Ze behandelen mij beter dan mijn ouders”, fluistert de lange center fielder uiteindelijk. Hij oogt wat ongemakkelijk tussen zijn assertieve teamgenoten. Maar hij werpt de bal het beste van allemaal: loeihard en loepzuiver.

Een paar dagen later in de Utrechtse wijk Kanaleneiland. Op de velden van amateurvereniging KDS trappen tien Marokkaanse meiden van sportvereniging Ladyfit een balletje in de late avondzon. Ze variëren in leeftijd van 12 tot 28 jaar, maar ze doen weinig voor elkaar onder. Sinds een jaar trainen ze twee keer per week aan het Amsterdam-Rijnkanaal. Hun stille hoop is ooit voor het nationale voetbalelftal van bondscoach Vera Pauw te worden geselecteerd.

„In het begin was het moeilijk om een team te formeren”, zegt coach Cathelijne Reincke (29) van Ladyfit. „Sommige ouders vonden het maar niets dat hun dochter zou gaan voetballen. En áls ze toestemming gaven, moesten de gordijnen dicht van het zaalvoetbalveld waar we aanvankelijk trainden.”

Anders dan bij de meeste amateurverenigingen mogen de meiden hun hoofddoek ophouden. En het lidmaatschapsgeld is heel schappelijk: 5 euro per maand. „Dat heeft velen van ons over de streep getrokken”, denkt Fatima El Ibrahimi (21), een van de uitblinkers van het team. Volgens de kleine spits hebben haar ploeggenoten er geen moeite meer mee dat op het aangrenzende veld mannen voetballen. „Alles went, nietwaar?”

Het oogt vertrouwd, de honkballende Antillianen in Tilburg en de voetballende Marokkanen in Utrecht. Maar dat is schijn, zo blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Allochtone jongeren sporten minder vaak dan autochtone leeftijdsgenoten. Ook zijn zij minder vaak aangesloten bij een sportvereniging of actief als vrijwilliger. Waar 85 procent van de autochtone jongeren van 6 tot 19 jaar minimaal een keer per maand sport, geldt dat voor 70 procent van de allochtonen. En slechts 53 procent van de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse jongeren is lid van een sportvereniging, tegen 70 procent van hun autochtone leeftijdsgenoten. Vooral moslima’s en hindoestaanse meisjes zijn in de sportstatistieken ondervertegenwoordigd.

Veel van de verschillen zijn terug te voeren op de financiële situatie van allochtone gezinnen, denkt Agnes Elling, senior sportonderzoeker aan het W.J.H. Mulier Instituut in Den Bosch. „Een lidmaatschap van een sportclub is nogal prijzig. En het gemiddelde allochtone gezin is kinderrijk.” Verder is het volgens haar een kwestie van overlevering. „Autochtone ouders zijn zelf vaak al lid van een sportvereniging. Dan is de stap naar een jeugdlidmaatschap niet zo groot.”

Ook op het Binnenhof wordt aandacht besteed aan de geringe sportdeelname van de jeugd en de allochtone jongeren in het bijzonder. In 2006 presenteerde oud-staatssecretaris Clémence Ross-van Dorp een vijfjarenprogramma om minderheidsgroepen aan het sporten te krijgen én hun participatie in de samenleving te vergroten: Meedoen allochtone jeugd door sport. Om dit doel te bereiken sloot de overheid convenanten met negen sportbonden en elf gemeenten. Zij moeten ervoor zorgen dat de sportdeelname van allochtone jongeren de komende vier jaar wordt verhoogd naar 85 procent.

Sportkoepel NOC*NSF begint volgende maand met veertien zogenoemde ‘proeftuinen’, locaties waar sporters terechtkunnen op tijdstippen waarop ze bij verenigingen nu nog vaak een gesloten deur treffen.

In de proeftuinen worden lokale sportverenigingen, commerciële sportaanbieders maar ook kinderopvangorganisaties en scholen bij elkaar gebracht. Zo worden in Rotterdam schoolsportverenigingen opgericht en gaat de Haagse hockeyvereniging HDM achterstandswijken in.

„De proeftuinen zijn niet speciaal op jonge allochtonen gericht”, zegt Theo Joosten, hoofd breedtesportontwikkeling van NOC*NSF. „Maar omdat veel jonge allochtonen in grote steden te vinden zijn, worden die groepen wel goed bediend.” Het ministerie stelt 17 miljoen euro beschikbaar voor het project.

De honkballers in Tilburg hebben weinig op met bedragen en statistieken. Als zij aan het einde van de avond hun spullen bij elkaar rapen, kunnen zij terugkijken op een geslaagde training.

„Sporten is gewoon leuk”, zegt de 15-jarige Jairo Janga die een opleiding elektrotechniek volgt. „Daar moet je verder niet moeilijk over doen.”