Jansen

Het stadsbeeld is aan het begin van de zomer altijd sierlijk verrijkt met zorgelijke kinderen die aan hun examen bezig zijn en elkander op de hoek vertellen dat het rot ging. Het kost ons enige moeite dit lelijke woord neer te schrijven, maar er is geen ander voor. Het gaat altijd zo. Een heel enkele keer komt er eentje met een rood hoofd uit de schooldeur en zegt: ‘Het ging wel.’ Dat moet dan een eng genie zijn, of iemand die gewend is zijn leed te overschreeuwen. Behoorlijke kandidaten verklaren dat ze het verpest hebben; zijn ze daarenboven nog fijnzinnig opgevoed, dan noemen ze het verknold. Verder kunnen ze echter niet gaan; er zijn grenzen, ook aan de welvoeglijkheid.

Het aardige van zo’n groepje is de volstrekte afwezigheid van coterieën. In normale gevallen heerst er een duidelijke rangschikking in het voor school staan wachten. Mooie, charmante gymnasiasten groepen bij elkander of komen ’s morgens gearmd met een pijprokende jongen uit zes-alfa om de natuurkundeleraar te epateren. Knapen wie het slecht gaat lummelen al zo’n beetje om kinderen van een klas lager heen omdat ze daar ten slotte toch terecht komen en er zijn er ook nog steeds velen, van een onbestemde enigszins grijze middenafdeling die doelloos op de bagagedrager van hun rijwiel zitten en een vies sigaretje laten smeulen tussen hun vingers. Gedurende de examentijd nu vallen al deze grenzen weg. De verrukkelijkste meisjes staan dan te causeren met heel lelijke kereltjes die van de eerste klas af een vier voor gymnastiek hebben gehad, en de pijprokers eten een zuurtje om de natuurkundeleraar niet onnodig te epateren. En rot hebben ze het allemaal gemaakt. Als iemand vraagt: Hoe is Jansen?, dan dient degene die reeds bij Jansen heeft mogen wezen te antwoorden: ‘Jansen is rot, Jansen is heel gemeen, Jansen stelt uitsluitend smerige vragen.’ Jansen is altijd al een gluiperige docent geweest.

Anderen zwijgen consequent. Het zijn de types die hun opgaven op het schriftelijk stilletjes hebben vernietigd om aan het onderling vergelijken te ontkomen en niet tien minuten nadat het werk is ingeleverd reeds beroofd te worden van de illusie dat het misschien toch nog wel goed was. Meestal zakken ze, want meestal was het niet goed. Voorbijgangers die een beetje geoefend zijn pikken hen er zo uit. Dikwijls sluipen ze omzichtig weg en kopen een ijsje bij een juffrouw die nog dag jongeheer zegt, alsof ze het gevoeld heeft. Het zijn ongelukkige dagen.

Uit: ‘Knollen en citroenen’, Bruna, 1956.