Ingrepen in bebouwde omgeving zijn altijd ongewis

Als Godfried Engbersen in zijn artikel `Zes stappen van probleem- naar prachtwijk` (Opinie & Debat, 19 mei) iets duidelijk heeft gemaakt, dan is het wel dat die operatie hondsmoeilijk en ingewikkeld is. Hij eindigt zijn artikel met de oproep om bewoners serieus te nemen. Dat lijkt een open deur, maar is het niet.

Ingrepen in de woon- en leefomgeving leiden alleen tot een duurzaam resultaat, wanneer de mensen die er wonen erbij betrokken zijn. Anders dan in de tijd van de stadsvernieuwing van de jaren zeventig zijn er nu minder bewonersorganisaties, die het proces kunnen schragen. Dat komt, omdat in probleemwijken veel allochtonen wonen. Betrokkenheid op de woonomgeving behoort bij die groep niet zonder meer tot de sociaal-culturele bagage. Om daar iets aan te doen is een forse inhaalslag nodig, waarbij professionele ondersteuning onontbeerlijk is.

Engbersen gaat ook in op de afstemmingsproblemen, die een dergelijke operatie met zich meebrengt. Er zou al heel wat gewonnen zijn, wanneer ambtenaren een efficiënte overlegstructuur weten te creëren. Dat wil zeggen, dat betrokken partijen niet telkens aan verschillende tafels over hetzelfde hoeven te overleggen.

Ten slotte is er de noodzaak van een breed politiek draagvlak. Van SP tot VVD, zodat de contraproductieve invloed van Wilders met zijn `islam bashing` wordt geneutraliseerd. Maar ook als aan randvoorwaarden als bewonersbetrokkenheid, efficiënte overlegstructuren en brede politieke steun wordt voldaan, dan biedt dat nog geen garantie voor succes. Dat komt, omdat het resultaat van ingrepen in de bebouwde omgeving welhaast per definitie ongewis is. Je hebt namelijk niet alleen met woningen, maar ook met mensen te maken. Interventies hebben een circulair karakter en leiden, als het goed is, tot voortschrijdend inzicht. Maar als je niets doet, weet je zeker dat niets helpt.