Het ging om haar neef. Niemand had grip op hem

Eergevoel is belangrijk. Zeist wil daarom dat goedwillende Marokkanen zich gaan schamen voor hun criminele familieleden. Door met een groot team aan te bellen. „Schei toch uit.”

Haar dochtertje van zeven jaar zat voor het raam te kleuren en riep nog: „Mama, er staan mannen voor de deur!” Bahija Mouzine deed open. Dertien mensen stonden er in haar kleine voortuintje, waaronder drie politiemensen. Bahija Mouzine woont in een rustig straatje in Zeist. „Ik dacht eerst aan een ongeluk”, zegt ze. Maar de man vooraan zei: „Dit is een GBA-controle (gemeentelijke basisadministratie, red.). Wilt u ons binnenlaten?” Bahija Mouzine, die bij de regionale sociale dienst werkt, stond perplex. „Een GBA-controle?” vroeg ze. „Met zoveel mensen?”

Bahija Mouzine weigerde. „Vertel eerst maar waarvoor u echt komt”, zei ze. „Voor een GBA-controle mag u met twee mensen naar binnen. Niet meer.” De man zei dat hij alleen met álle mensen naar binnen wilde, zegt Bahija Mouzine. „Hij zei ook”, zegt ze, „dat ik een proces-verbaal zou krijgen als ik toegang zou weigeren. Ik stond met knikkende knieën. Maar ik had ook iets van: dit is absurd. Mijn man en ik werken allebei. Ik had net een brief van mijn werkgever gekregen waarin stond dat ik een bonus kreeg voor inzet en collegialiteit. We hebben geen strafblad, geen belastingachterstand. Wat zit hierachter?”

Het bleek het interventieteam. Het ging om haar neefje.

Het project Interventie Jongeren Zeist is ingezet door de gemeente voor de zero tolerance-aanpak van een groep van zeventien zeer criminele Marokkaanse jongens. Zij maken zich schuldig aan berovingen, inbraken, bedreiging, mishandeling, uitkeringsfraude, loverboy-praktijken en zedendelicten. „Op deze jongens heeft zelfs de politie geen grip meer”, zegt Joop van Ditmarsch, regisseur wijkgericht werken van Zeist. Deze jongens hingen vaak rond bij een winkelcentrum in Zeist-West. Ook de hangplek van veel andere Marokkaanse jongens. Die zorgden wel voor overlast maar hadden geen strafblad. Van Ditmarsch: „We waren bang dat die zwaardere jongens de anderen zouden meezuigen.”

Die zwaardere jongens zijn er niet meer, zeggen de jongens bij het winkelcentrum De Clomp. Ze hebben opgeschoren haar, bovenop hun hoofd glimmende, zwarte krulletjes en hangen op een bakstenen muurtje en roken een sigaret. Af en toe stopt een vriend met piepende banden. De autoradio keihard aan. Hij wordt met gejuich ontvangen. Als iemand uit een naastgelegen flat roept of het stiller kan, wordt zijn vraag met hoongelach beantwoord. Even later verstoppen twee jongens zich snel achter de struiken. Waarom? Hun vader liep langs. Voor je vader heb je respect natuurlijk. Van het interventieteam hebben ze wel gehoord, bij een enkeling is het team langs geweest. Gezeik natuurlijk, laat ze een jeugdhonk bouwen.

De aanpak van het interventieteam is grootschalig. Met een groot aantal mensen – GBA-controleur, coördinator repressie, sociaal rechercheur, woonfrauderechercheur, iemand van de Belastingdienst, iemand van de gemeente, een rapporteur en drie of vier politiemensen – gaat het langs bij een gezin dat tot het sociale netwerk behoort van de criminele jongere. Ze bezoeken de ouders, of een broer, vriend, tante of oom. Als de bewoner zijn huis openstelt – en meestal doet de overdonderde bewoner dat – vertelt de coördinator repressie welke jongere de reden is voor het onverwachte bezoek. Hij leest een brief voor van de burgemeester waarin staat dat de gemeente het zat is en dat het gedrag van de jongere niet langer getolereerd wordt. De woning wordt vervolgens bekeken.

Waarom op deze manier? Bij deze jongens, zegt projectleider Frank Nissen, „hoef je niet aan te komen met een scholingstraject.” Maar straffen alleen werkt ook niet. Celstraf is statusverhogend. „Daarom pakken we het sociale netwerk aan. Als vrienden en familie niet meer faciliteren – ze willen geen auto of gsm van de crimineel op hun naam – dan houdt het op. Inmiddels werden veertig adressen bezocht, zes uitkeringen werden stopgezet, vijf voortvluchtige jongeren meldden zichzelf bij de politie. De fiscus heeft een aantal zaken in onderzoek en nam een BMW in beslag.”

Sommige Marokkaanse ouders, zegt Van Ditmarsch, vinden dat zij geen verantwoordelijkheid hebben over hun kinderen als die op straat zijn. „Daar moet de gemeenschap maar op letten, alsof ze nog in de Rif wonen. Diezelfde ouders vinden het heel vervelend als er dertien mensen voor hun deur staan. Eergevoel is heel belangrijk binnen de Marokkaanse cultuur. Van politie en controleurs voor hun deur moeten ze niets hebben. Wat zullen de buren wel denken? Van dat gevoel maken wij gebruik. Wij zeggen hen: pak Achmed, of Rachid, of Mohammed aan, dan heb je ons niet meer voor de deur.”

„O ja?” zegt Bahija Mouzine. „Moet ik dan naar mijn neefje, geen idee waar hij uithangt, en hem een klap in zijn gezicht verkopen? Schei toch uit.”

Zij had geen last van schaamte, vertelt ze ’s avonds op de bank. Haar man, Aziz Kaouass, schenkt thee in. Ze had wel last van een sterk gevoel van onrechtvaardigheid. „We wonen in een rechtstaat, niet in een politiestaat.” Aziz Kaouass vindt het wel vervelend dat de club op zijn stoep stond. „Ook al hebben we niets gedaan. Buren gaan toch denken, waar rook is, is vuur.”

Op de bank zit ook El Mustafa Kaouass, een neef van Aziz en de oudere broer van de twintigjarige jongen om wie het gaat. El Mustafa Kaouass is consultant, hij komt net uit zijn werk, hij draagt nog zijn krijtstreeppak. Hij oogt rustig, maar is woedend. „Ik sta helemaal achter het doel van de actie”, zegt hij. „Ik vind ook dat criminele jongens aangepakt moeten worden. Keihard, wat mij betreft. Maar ga niet bij mijn moeder naar binnen.”

Zijn moeder, die nauwelijks Nederlands spreekt, dacht aan een politie-inval toen het team voor de deur stond. Haar man en zoons waren naar de moskee. „Ze liepen door het hele huis”, zegt El Mustafa Kaouass. „Ze keken in alle kamers.”

„Het kan anders”, zegt Aziz Kaouass. „Praktisch alle Marokkaanse mannen uit Zeist gaan vrijdags naar de moskee. Vraag of de imam in zijn preek ouders op hun verantwoordelijkheid wijst. Op deze manier stoot je mensen af.”

Bij De Clomp rijdt voor de tweede keer die avond een politieauto langs. De Marokkaanse jongens joelen. Ze weten dat ze bedreigend overkomen, dat sommige mensen het eng vinden om langs hen te wandelen en dat caissières ’s avonds niet meer alleen naar huis durven. Maar daar kunnen ze zelf ook niets aan doen, zeggen ze. Wat wil je dan, moet ik m’n haar blonderen of zo? Zodra de politieauto weg is, gaat de autoradio weer hard aan en Yussuf rijdt weer verder op het achterwiel van zijn scooter.