‘Het gaat niet om winnen maar om winst boeken’

Sportpedagoog Albert Buisman heeft gemengde gevoelens over het sportbeleid ten behoeve van de Nederlandse jeugd. Hij pleit voor een lossere aanpak. „Laat kinderen spelen, vrijheid en blijheid.”

Albert Buisman Foto Merlin Daleman Nederland, Leusden, 18-05-07 Albert Buisman, sportpedagoog. © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Waarom zouden alle kinderen op sport moeten? Omdat bewegen goed is voor hun fysieke en mentale gezondheid. Omdat bewegen ziektes kan voorkomen. Omdat sport afleiding en plezier geeft, uitdagend is en kansen biedt op aanzien en materiële rijkdom. „Sport is fantastisch voor kinderen”, weet sportpedagoog dr. Albert Buisman die dit voorjaar afscheid nam als hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. „Sport is een geweldig opvoedingsveld, maar dan moet sport wel in ruime zin worden genomen. Niet alleen als wedstrijdsport, ook als sportieve recreatie. Kinderen verkennen in de sport hun eigen mogelijkheden, leren dat je niet alleen kop en verstand hoeft te ontwikkelen, maar ook met je lijf kunt presteren. De voldoening van zo’n wedstrijd in het weekeinde geeft fleur en ontspanning aan het schoolbestaan.”

We zien overal kinderen sporten. Het aantal sportaccommodaties voor kinderen is enorm gegroeid en de sportdeelname van kinderen in de basisschoolleeftijd is hoog. Het gaat dus goed met onze kinderen?

„De ene sport is de andere niet, vergelijk atletiek maar eens met boksen en voetbal met kanovaren. Ook binnen één tak van sport bestaan grote verschillen tussen clubs wat betreft kwaliteit van training en omgangsvormen. Daarom moet je als ouders je kind niet ‘blind’ naar een sport sturen, maar naar een bepaalde sportclub die je zelf van tevoren goed hebt bekeken. Wedstrijdsport heeft toch vaak de hoogste prioriteit. Kleine kinderen, kleuters nog, moeten bij voetbal meteen al een wedstrijdje spelen en worden daar lang niet altijd op een speelse manier op voorbereid. Die kleintjes willen heus wel nieuwe dingen leren, maar dat hoeft niet altijd in een wedstrijdje. De individuele betekenis van presteren wordt dan gedomineerd door de rivaliserende betekenis van presteren. Overigens vind ik presteren in beide betekenissen een prachtig woord. Het gaat toch om plezier, niet om winnen. Kinderen die minder talentvol zijn en motorisch beperkt, die geen aanleg en ambitie hebben om het hoogste na te streven of van wie de ouders geen geld hebben om contributie te betalen, moeten ook een volwaardige kans hebben om plezier aan sport te beleven. Op veel sportclubs heerst een geest van selecteren en de beste kinderen meer aandacht geven. Zij die presteren gaan voor, zei een leermeester van mij vroeger. Talentjes krijgen meer waardering en betere faciliteiten.

„In een Amerikaans onderzoek onder 8.000 kinderen naar motieven waarom ze aan sport deden, bleek dat de meeste kinderen voor sport kozen omdat ze er plezier aan hebben, omdat ze sportieve vaardigheden willen verbeteren en bij de meisjes dat ze een goede conditie willen hebben. ‘Willen winnen’ en de uitdaging en spanning van de competitie stonden niet als hoogste op de ranglijst. In hetzelfde onderzoek bleek dat veel kinderen met sport stopten omdat er niet naar hun verlangens werd geluisterd en dat het plezier afnam door prestatiezucht van de sportclubs, de trainers en begeleiders.”

Wordt wedstrijdsport te veel gewaardeerd?

„Ja. Ik kan genieten van wedstrijdsport en topsport, maar als ik de media volg en de campagnes van de overheid en NOC*NSF bestudeer, zie ik te weinig aandacht voor de pedagogische aspecten. Het gaat vooral over topsport. Het streven bij de beste tien landen van de wereld te behoren wat betreft medailles en titels is volkomen dwaas. Daarmee legitimeer je de concurrentie met landen die bol staan van doping, omkoping en kindermishandeling. In de sportnota ‘Tijd voor sport, bewegen, meedoen, presteren’ uit 2005, van toenmalig staatssecretaris Ross-van Dorp, wordt als een van de ankerpunten genoemd: Het stimuleren van topsport, als bron van nationale trots en uitstraling. Hoezo? Juist daardoor worden de ouders en de jeugd opgejaagd om topsport de hoogste prioriteit te geven. Maar topsport is niet vanzelfsprekend voor kinderen. Topsport is intensief, een ratrace met veel afvallers. Topsport maakt meer kinderen kapot dan gezond.

„In onze sportnota worden de negatieve kanten van jeugdtopsport nauwelijks besproken. Leerplichtige kinderen, die onder schooltijd mogen trainen... Ik ben er op zichzelf niet op tegen dat talenten de kans krijgen zich te ontplooien, maar dan moet er wel stevig toezicht zijn door de rijksoverheid, zodat daar geen gekke dingen gebeuren. VWS neemt dat probleem nauwelijks serieus, daarom zie ik ook liever dat de directie met de staatssecretaris naar Onderwijs gaat. Daar zijn tenminste inspecteurs die er op toezien dat het onderwijs in de training van deugdelijke kwaliteit is.”

Zijn sportclubs dan kindonvriendelijk?

„Ik zie heel veel clubs waar kinderen graag naar toe gaan. Ze hebben daar plezier en hebben het gevoel dat hun belangen in goede handen zijn. Dat is de kern van pedagogisch bezig zijn. Belangenbehartiging! Kinderen helpen aan een mooie kindertijd en hen stimuleren tot zelfstandigheid. Er zijn ook clubs waar kinderen als werkmateriaal voor de club worden beschouwd. Als ze niet voldoen, kunnen ze beter ophoepelen. Soms wordt dat rechtstreeks zo gezegd. Ze vragen te veel tijd. Maar niet alleen clubs, trainers en leiders zijn te vaak met presteren en winnen bezig, ook ouders. Ik lees vaak succesverhalen van kinderen die het gemaakt hebben. Maar hoe is het met die turnmeisjes en zwemmeisjes die 25 uur in de week hebben moeten trainen, en met die voetbaljunioren die het tot woede van hun vaders en trainers niet gehaald hebben? Allerlei onderwerpen over kinderen in de sport worden verzwegen: oorzaken sportuitval, blessures, pesten in de club, trainers die de meisjes en de jongens koeioneren. Alle aandacht gaat naar sporters die hebben gescoord. Een slechte motivatie voor kinderen die beperkt zijn, te dik, geen aanleg, lelijk en gehandicapt. Alleen blonde godinnen en goden zijn rolmodellen. Dat is een belediging voor kinderen die beperkt zijn in hun fysieke mogelijkheden.”

Hoe zou dat dan beter kunnen?

„Kijk en luister naar kinderen. Wat willen ze? Waarom willen ze op sport? Wat vinden ze leuk? Betrek ze erbij. Stimuleer ze in dingen die ze leuk vinden. Trainers en leiders in het jeugdvoetbal vinden vaak dat je het spel met 11 tegen 11 moet spelen. Moet je kijken wat er gebeurt, jongetjes van 7, 8 jaar raken in één uur de bal soms drie of vier keer. Zegt een trainer: ‘Blijf nou eens op je plaats’. Die wil af van kluitjesvoetbal. Maar kinderen willen juist daar zijn waar de bal is. Kinderen maken onderling hun eigen regels. Ze kiezen hun eigen partijtjes, zoals op straat. Laat ze spelen, vrijheid en blijheid. Niet zeggen hoe het moet. Zeg dat ze het goed doen. Een kind dat beter wil worden en ambities heeft, laat dat wel merken. Kijk naar die snuitjes en je begrijpt kinderen. Als een kind het nog niet kan, kun je hem aansporen het nog eens te proberen. Het gaat niet om winnen, maar om winst boeken, zoals voetbaltrainer Sef Vergoossen eens opmerkte. Daar is sport voor bedoeld. Buiten spelen en plezier hebben.”

Zijn er goede voorbeelden?

„Hockey heeft een goed jeugdbeleid. Naast een paar jongens en meisjes die willen scoren en in het eerste willen komen, zijn er vooral jongens en meisjes die willen spelen. Buiten de wedstrijden en de trainingen is er van alles te doen. Naschoolse opvang. Iedereen heeft het gevoel erbij te horen, of je nu goed of slecht kunt hockeyen. Als ze maar goed begeleid worden.”

Het valt of staat dus bij begeleiding?

„Over begeleiding bestaan allerlei misverstanden. Zo is er een bond die meent dat het spelen in het Nederlands elftal of in de eredivisie voldoende is om, na een korte cursus met weinig aandacht voor psychologie, professioneel jeugdtrainer te worden. Het is anderzijds ook een misvatting dat vrijwilligers die geen middelbare opleiding hebben gevolgd geen goede leiders zijn. Er zijn mensen die haarfijn aanvoelen wat een kind wil, en die kunnen luisteren, zonder daar een cursus voor gevolgd te hebben. Kijk op de sportvelden naar vrijwilligers die het in hun vingers hebben en kunnen genieten van spelende kinderen, zonder dat ze met prestaties bezig zijn. Trainers en leiders zijn zó belangrijk voor kinderen. Als zij aanvoelen wat een kind nodig heeft, is een kind gelukkig en beleeft het plezier aan sport, of het nu talent heeft of niet.”

Maar is sport nu echt noodzakelijk?

„Het is aan te bevelen. Want het kan zoveel plezier geven. Zoveel mogelijkheden om vrienden te maken en met elkaar te leren omgaan. Sport socialiseert. Het is beter dan alleen maar televisiekijken en computeren, chips eten en cola drinken. Maar sport moet wel om het belang van het kind gaan. Soms wordt sport als middel zo dominant, dat men de sport zelf als het ware uit het oog verliest. Ik heb soms het idee dat te veel wordt beweerd dat de jeugd niet deugt en daarom meer aan sport moet doen. Alsof ze allemaal zijn vervet, hangjongeren zijn of integratie uit de weg gaan. Er wordt een veel te negatief beeld geschetst van kinderen. Kijk eens om je heen, nog nooit zijn zo veel kinderen aan het sporten als nu. Dat is toch mooi!”

Rectificatie / Gerectificeerd

In het interview ‘Het gaat niet om winnen, maar om winst boeken’ (26 mei, Bijlage Thema, pagina 3), staat dat de sportpedagoog dr. Albert Buisman afscheid nam als hoogleraar van de Universiteit Utrecht. Hij was daaraan verbonden als hoofddocent.