Haest en De Graaff in het onderwijs

Onrust in het onderwijs. Docenten kunnen niet meer spellen en rekenen, leerlingen krijgen te weinig les. Een wijze onderwijscommissie is samengesteld. Haest en De Graaff doen eigen onderzoek: ze zitten als pubermeisjes in de bankjes en staan als juffen voor de klas

In de klas

Het lokaal is vol, de plek voor de klas al tien minuten leeg. Volgens de schoolregels van Scholengemeenschap Damstede in Amsterdam Noord mogen we nu naar de aula. Haest en De Graaff kijken af en sjokken mopperend mee met vwo-klas v4c, achter jongensruggen met platte Eastpak-rugzakken en meisjes met niemendalletjes. Degelijke schooltassen zijn ‘belachelijk’, alle studieboeken liggen pakklaar in de kluisjes en krijgen alleen daglicht als ze nodig zijn. Zo efficiënt zijn wij nooit geweest. Vlak voor de aula botsen we tegen een snelle jongen, de economiedocent. Pech.

„Ik baal er ontzettend van. Ik wil graag uitleggen waarom ik te laat ben.” Zittend op de lessenaar legt de meester uitgebreid verantwoording af aan zijn klas. We mopperen niet langer, we worden serieuze leerlingen. De les begint met de dagopening. De meester wil ‘iets met ons delen’. Haest en De Graaff verwachten een actueel economisch vraagstuk, maar hij vertelt aangedaan over een weeshuisdirecteur die zijn leven offerde om zijn joodse leerlingen in de gaskamer bij te staan. „Is een gebaar van troost een mensenleven waard?” Deze vraag krijgen we mee voor de rest van de dag. Onze maandagmorgenhersenen zijn abrupt wakker, de klas kijkt er niet van op.

Het is tijd voor de eerste berekening. Box 1, 2 en 3 en hypotheekrenteaftrek, het begint op je vijftiende en gaat nooit meer voorbij. Meester leent de rekenmachine van een leerling om de som op het bord uit te rekenen. Huiswerk krijgen we niet, maar wij juichen te vroeg. Onze klasgenoten wijzen ons op de studiewijzer, daarin ligt al het werk voor het seizoen vast.

Een dia van Michelangelo’s naakte David verlicht het duistere kunstlokaal waar we klassiek cultureel gevormd worden. Brutus, Amor, Aphrodite en Artemis blijken goede bekenden van de jongelingen. Net als de geestelijke en lichamelijke liefde. De docent staat niet op een sokkel als hij enthousiast verhaalt over oeroude deugden en ondeugden. Bijval, gelach, discussie. Na een protestloze optocht van naakt mannelijk schoon struikelen de meisjes van deze tijd unaniem over die ene blote tiet die Titiaan uit Diana’s jurk liet waaien.

Ons huiswerk Frans wordt niet gecontroleerd, wij zijn groot en onze schooltassen zijn gevuld met verantwoordelijkheid. Een dame, gekleed als een Française, deelt de proeftoets luisteren uit. Ze is lief. „Als je het niet goed hebt, helemaal niet erg.” Door de boxen klinkt de Canadese pingpongheld en muzikant Célestine. Met een A,B of C tonen wij ons tekstbegrip. Afkijken is geen optie, want er zijn verschillende toetsversies in omloop. De docenten hebben ook bijgeleerd. Onze overgave aan drie vakken achtereen maakt ons hoofd mistig. Het laatste kwartier nevelt in flarden voorbij. „Je zat te dromen, dat kan gebeuren, heb ik ook wel eens.”

Pauze. Dorstig en met volle blaas rennen wij naar het toilet. Meisjes showen op mobieltjes trots hun nieuwe liefde. Lipgloss legt een laagje glans op de dag. In de kantine kiezen wij op de menukaart onze energie. Saucijzenbroodje ‘zo min mogelijk’, Broodje gezond ‘altijd’ of Turkse pizza ‘af en toe’. Naast ons huilt een meisje op de schouders van haar vriendinnen. Tussen de kluisjes vindt een weekendliefde een maandagmorgenvervolg. We weten het weer: de tussendoortjes maken de lesdag licht verteerbaar. Voor ons geen potentieel. Relaties tussen leerling en leraar zijn verboden.

De Graaff wordt voor het wiskundelokaal gepakt met haar broodje ‘af en toe’ tonijn door de juf Frans. Op de gang wordt niet gegeten. De wiskundelerares wordt binnengebracht door de decaan, ze is claustrofobisch en bleef hangen in de lift. Wij berekenen onze kansen met Stochast Y en Z. Half van slag, Pools accent en een scheve lach: dit wordt keten. Onze klasgenoten slaan ijverig aan het rekenen. Zij kennen hun kansen. Deze vrouw heeft een geheim. Natuurlijk overwicht!

De schapen van de godsdienstleraar staan boos voor een dichte deur. We hebben nog wel een belangrijke toets. ‘Hij is altijd te laat’, moppert het om ons heen. Deze docent heeft al teveel potjes gebroken. Opstand! De Graaff draalt bij de braveriken, Haest rent met de rest naar de aula, waar een boze decaan iedereen terugstuurt.

Hij verschijnt. In plaats van iemand uit de oude doos, zien we een hip geklede jongeman. Hij ijsbeert tussen de leerlingen door die met allerhande argumenten roepen om uitstel van de toets Ethiek, en balanceert op het randje van zwichten. Hardop bespreekt hij zijn dilemma. Hoop is gezaaid. Midden in de dialoog deelt hij opeens de blaadjes uit. Tafels uit elkaar. Stil! Dertien vragen over ethische implicaties, moreel universalisme en cultuurrelativisme. De lucht is zwaar. We zijn gevangen tussen klikkende ballpoints, gesnuif en diepe zuchten. De meester vestigt zich in zijn toren en bespiedt vanuit zijn draaistoel zijn makke kudde zwoegende denkers. Hij roert genoegzaam in zijn kopje koffie. Voor het eerst vandaag voelen we ons kleine kinderen.

Voor de klas

Er is een vacature voor docent Nederlands, horen we van de conrector van het Calandlyceum als we achter hem aan richting arena stappen. Beladen met lesmateriaal betreden we nerveus het klaslokaal, op de lessenaar leggen wij ons tot in de minuut uitgeschreven lesplan neer. Op papier alles onder controle. De werkdruk van het leraarschap torsen wij al sinds gister mee, uren voorbereiding en een lichte slaap vol angstvisioenen. Dertig tegen één, gelukkig zijn wij met zijn tweeën.

Dossiers over de leerlingen geeft de conrector nooit prijs op de eerste dag. De schoolbel rinkelt als een alarmklok in ons hoofd. De leerlingen stormen het lokaal binnen. We zien ‘onbevooroordeeld’ onze eerstejaars VMBO-t-ers. Giechelend en rappend, slungels en ukkies, beugels en brillen, zwart en wit. Het valt allemaal met jas en tas op de schoolbanken neer. De eerste minuten komt het erop aan. Willen we na dit lesuur niet, keihard afgemaakt, huilend weg strompelen, dan moeten we nu laten zien wie juf Haest en juf De Graaff zijn. En warempel, ze zijn stil. We maken onze eerste dertig zinnen helemaal af! Ons lesonderwerp Gedichten levert geen Boe, maar een licht Ali B-erig Yo. Onderuitgezakte lichamen buigen zich in slowmotion over hun vel papier.

De Graaff neemt de Metro in beslag. Haest heeft de raddraaiers in het vizier, het viertal zit rechts achterin. Na twee waarschuwingen mogen ze bij ons komen zitten. Haest schakelt een iPod uit. Missie orde is geslaagd. We kunnen zowaar al aan het scheppen beginnen. Opgelucht constateren we dat onder het gelach en gefluister de pennen keurig de opdracht vervullen. Als we de eerste jonge dichter vragen zijn schepsel voor te dragen, gaan tot onze verbazing overal vingers de lucht in. Abdelhamid’s woorden klinken zacht, maar onbeschaamd door het lokaal. Deze stoere opdonder in trainingspak, brengt met zijn fijnzinnig verwoorde zielenpijn kippenvel op onze armen.

Gepest worden we niet door onze leerlingen, maar door eigen collega’s. Tot tweemaal toe steekt iemand zijn hoofd om het hoekje voor een huishoudelijke mededeling. Moedeloos zien we onze duurverdiende rust als sneeuw voor de zon verdwijnen. Ongedurig jagen we de laatste de deur uit. Verdorie, opnieuw beginnen. De Graaff handhaaft de orde. Haest weet Rowan aan te zetten zijn versregels vol eenzaamheid te hervatten. Wij moedigen aan - ‘Origineel’, ‘gevoelig’, ‘grappig’, ‘heel goed’ – met effect. We breken juichend door het finishlint.

Trots en zonder kleerscheuren gaan we verder. Lokaal 104, HAVO 2. De volumeknop staat hoger, grotere lijven, brutalere blikken. Haest en De Graaff dachten even het al een beetje te kunnen. Oei, deze klas hebben we ook nog een blokuur (2 lesuren) lang. Volgens de schoolregels moeten ze u en mevrouw tegen ons zeggen, maar daarmee heeft de leerkracht nog geen autoriteit. Schreeuwen is zinloos, we gooien stilte in de strijd. Gezusterlijk zwijgen we zij aan zij voor het bord. Wie krijgt de macht? Onze allerstilste stilte splijt het rumoer, geluiden verstommen, het laatste zuchtje ebt weg. Van triomfantelijk achteroverleunen in onze overwinning is geen sprake. De kleinste opening wordt benut om weer volop te keten of in versufte toestand onderuit te zakken. Haest ziet vanaf haar strategische positie naast de boeventafel een onverbiddelijke juf De Graaff voor het bord. Onder onze gesloten linie van bewaking wordt er uiteindelijk flink gewerkt. Solaiman verklaart fier rechtop zijn liefde in dichtvorm aan Somoune. Blozende meisjeswangen, de klas fluit uitgelaten. Laten vieren en weer strak trekken. De grootste onruststoker krijgt op zijn isolatieplek toch de geest. In staccato rijmt hij zijn gedachten over de oorlog.

Onze vingertoppen gaan het voelen. Gezag en plezier uitstralen, niet te lang lachen om een grap, complimenten geven, geen twijfel tonen, niemand overslaan. En natuurlijk geen stommiteiten begaan: schreeuwen om stilte, ‘Joehoe’ roepen, en het einde van de les drie minuten van tevoren aankondigen. O, verrek, we moeten ook nog de leerdoelen halen. Met schrik registreren onze juffenogen de fouten – ‘formen in de lucht’, ‘vlink de pest in’, ‘kloppend hard’ – op de velletjes vol zieleroerselen.

Het volgende lesje, het is hier in ieder geval rustig. Onze evaluatie vindt plaats in de kamer van de conrector. De afdelingsleider doet verslag. „De klas van Haest en De Graaff was mooi rustig.” Zouden we solliciteren? Wij kunnen het niet. De echte lefgozers vind je in de lerarenkamer.