Fundamentalisme, kernwapens en de opstand die niet komt: vier misvattingen over Iran

Het conflict over Irans nucleaire programma dreigt te escaleren nu Teheran sneller over hoogverrijkt uranium kan beschikken dan eerder werd aangenomen. De VS zinnen op nieuwe sancties. Toch is dit niet de manier om met Iran om te gaan. Het westerse Iranbeleid moet drastisch om.

Shervin Nekuee is socioloog en publicist; hij is de auteur van de ‘Perzische paradox’ (2006). Behnam Taebi is publicist en docent techniekfilosofie aan de TU Delft.

Het Iranbeleid van de Verenigde Staten en zijn Europese bondgenoten stoelt op een achterhaald en vertroebeld beeld van de Islamitische Republiek. Het huidige Iran wordt begrepen in de termen van 1979, het bewogen jaar van de revolutie en de gijzeling van het Amerikaanse ambassadepersoneel. Het wordt gezien als het land van bebaarde ayatollahs dat niets moet hebben van het Westen en dat een acute dreiging vormt voor het Westen. Blijven vastklampen aan dit historische beeld, leidt tot gevaarlijke misvattingen. Deze staan een nuchter en doeltreffend beleid in de weg. Dat zou erop gericht moeten zijn de rol van de Islamitische Republiek Iran binnen de internationale politiek te neutraliseren en het op gang gekomen democratiseringsproces te stimuleren.

Vier hardnekkige en fundamentele misvattingen moeten uit de wereld worden geholpen.

1

Ahmadinejad is een godsdienstfanaat

In het Westen staart men zich graag blind op de religieuze en antisemitische retoriek van Ahmadinejad en de zijnen en de daaraan gekoppelde, geritualiseerde uitingen zoals het vrijdagsgebed en de anti-Amerikaanse en anti-Israëlische leuzen. Wie in deze propagandaval trapt, ziet niet meer dan wat er in Iran aan de oppervlakte borrelt.

Schijn bedriegt. De Iraanse hardliners à la Ahmadinejad zetten de oude retoriek tegen Israël en Amerika vooral in om onder de moslimbevolking in het Midden-Oosten sympathie te winnen. Maar deze hardliners zijn tegelijkertijd uiterst pragmatisch in hun handelen: ze weten zonder gezichtsverlies en op tijd soepel terug te schakelen. Zie de geraffineerde publiciteitscampagne van Ahmadinejad bij de recente vrijlating van de Britse soldaten. De combinatie van harde taal en het flexibel en strategisch handelen van Iran brengt menig Westerse politicus tot wanhoop.

Een onpartijdige waarnemer moet wel tot de conclusie komen dat Ahmadinejad weliswaar een provocateur is, maar bovenal een sluwe machtspoliticus. In plaats daarvan wordt er krampachtig vastgehouden aan het beeld van een godsdienstwaanzinnige, wat goed rijmt met de achterhaalde opvattingen over Iran.

De oorzaak daarvan is dat in de meeste westerse analyses over Iran, het accent ligt op het islamitische karakter van de republiek. Er is weinig aandacht voor het feit dat de Islamitische Republiek het product is van een modernistische en utopische revolutie, die verloopt volgens dezelfde logica als die van ander moderne revoluties.

Net zoals bij de Franse en de Russische revoluties is bij de Iraanse revolutie in de loop van jaren de gepassioneerde expansiedrift ingeruild voor pragmatisme. In plaats van de belangen van de Umma (de wereldwijde moslimgemeenschap) te behartigen, zoals gebeurde in de beginjaren, kreeg het versterken van de eigen positie op het wereldtoneel voorrang.

Het eerste decennium van de Iraanse revolutie, 1979-1989, was een tijd van ideologische en utopische toestanden onder het onbetwiste leiderschap van de charismatische Ayatollah Khomeiny. Het was de tijd van het uitroeien van alle binnenlandse politieke tegenstanders en de massale vlucht van linkse intelligentsia en jongeren. Het was ook de tijd van oorlog met Saddam en zijn westerse patronen. Men droomde van het ‘bevrijden’ van alle moslimlanden uit de macht van tirannen: de export van de Islamitische Revolutie stond hoog op de agenda.

Maar de oorlog tegen Irak eindigde zonder overwinning. Met het accepteren van het staakt-het-vuren aanvaardde Khomeiny, in eigen woorden, „de gifbeker”. Ironisch genoeg overleed hij niet lang daarna. Een bescheidener en pragmatischer opstelling was geboden. Het was de tijd van wederopbouw en het likken van de diepe wonden van de oorlog. Uitgerekend in deze tijd begon de interne concurrentie tussen de politieke groeperingen in het machtscentrum zich uit te kristalliseren.

2

Iraanse machthebbers zijn één pot nat

Het tegendeel is waar: Iran wordt bestuurd door elkaar beconcurrerende politieke elites. De fragmentatie begon na het overlijden van Khomeiny in 1989 en is in die vorm nog altijd actueel. Khamenei ruilde de presidentszetel voor de veel machtigere positie van geestelijke leider en Rafsanjani promoveerde van parlementsvoorzitter tot president. In de daarop volgende jaren zijn twee gematigde stromingen achtereenvolgens aan de macht geweest: het economisch liberalisme van Rafsanjani en het sociaal liberalisme van Khatami.

In zijn presidentiële tijdperk (1989-1997) zag Rafsanjani de economie als het koninklijke pad naar normalisering. Intern betekende het dat de staat ondernemerschap onder burgers moest stimuleren om zo de economische overmacht van de staat te verminderen. Op internationaal terrein geloofde Rafsanjani in het binnenhalen van multinationals en het opengooien van de Iraanse markten voor buitenlandse producten. Dit moest ook voorkomen dat het Westen Iran bleef behandelen als de dolle hond in de wereldgemeenschap.

Maar de economische strategie van Rafsanjani stuitte op Amerikaanse sancties en maatregelen tegen multinationals die zaken wilden doen met Iran. Een andere oorzaak voor het uitblijven van grootschalige buitenlandse investeringen was de interne politieke onveiligheid. Het systematisch elimineren van zelfbewuste intellectuelen beleefde een nieuw dieptepunt. Schrijvers, dichters, journalisten en overige criticasters van de staat verdwenen en werden dood teruggevonden.

Khatami (1997-2005) koos voor het normaliseren van het land de weg van een breed opgezette dialoog. Er werd geïnvesteerd in een stevige civil society die opgewassen zou zijn tegen de macht van de staat. Een voortdurend kritisch debat met de staat zou ruimte creëren voor het individu. Op internationaal terrein was het motto de dialoog der beschavingen, als antwoord op Huntingtons ‘botsing der beschavingen’.

Khatami’s verzoende toon naar het Westen kreeg geen gehoor. Sterker nog, president Bush wees de opening resoluut af in zijn beruchte State of the Union in 2002, waarin Iran, Noord Korea en Irak werden bestempeld als ‘As van het kwaad’.

Tekenend voor de pogingen tot normalisering van de internationale positie is het door Teheran aan Washington gerichte onderhandelingsdocument uit 2003, dat kortgeleden in de VS is gepubliceerd. Hierin verklaart Iran bereid te zijn openheid te geven over zijn nucleaire activiteiten, mee te werken aan een tweestatenoplossing in het Israëlisch-Palestijnse conflict, te stoppen met steun aan militaire activiteiten van Hamas en te helpen bij het stabiliseren van Irak. Vanzelfsprekend had het ook eisen: wederzijdse respect; toegang tot vreedzame nucleaire technologie en het opheffen van de sancties tegen Iran. De onderhandelingen tussen de toenmalige Iraanse ambassadeur bij de VN en Amerikaanse diplomaten werden door Washington gestaakt, waarmee de verzoeningspogingen van de gematigden met Amerika definitief mislukt waren.

Ook de veranderde politieke situatie in het Midden-Oosten door de grootschalige militaire aanwezigheid van Amerika in Irak en Afghanistan en het uitbreken van burgeroorlog in Irak deden het tij voor de gematigde stromingen in Iran keren. De weg was vrij voor een generatie Iraanse politici die gelooft in een sterke en centralistische staat en die confrontatie- en spierballenpolitiek prefereert boven verzoening.

Met tirades tegen de Westerse inmenging in het Midden-Oosten en de populistische belofte om armoede en corruptie te bestrijden greep ‘nieuw rechts’ de macht bij de presidentsverkiezingen van 2005. Het gaat om een generatie politici die tijdens de oorlog tussen Iran en Irak jonge commandanten en revolutionaire bestuurders waren. Het zijn inmiddels veertigers en vijftigers die in eigen perceptie het volk en de revolutie hebben gediend en er nu aan toe zijn het roer over te nemen. Ze delen een wantrouwen jegens het Westen, omdat ze Saddam Husseins aanval op Iran – terecht – als een door het Westen aangestoken vuur zien.

Maar deze stroming is niet eensgezind: er is een radicale en een pragmatische tak. Men kan spreken over de ‘haviken’ en de ‘vossen’, waarbij die laatsten minder provocatieve taal gebruiken en zich meer richten op sluwe diplomatie. De haviken, met Ahmadinejad aan kop, hergebruiken met hun spierballenpolitiek de oude revolutionaire leuzen tegen Amerika en Israël. Zij geloven dat een agressieve pressiepolitiek hun de beste positie oplevert om zaken te doen met de Amerikanen, direct of indirect, publiekelijk maar nog liever in het geheim. Binnenlands zetten zij de civil society op allerlei manieren onder druk. Van economische wetmatigheden hebben ze geen kaas gegeten; de olieopbrengsten zouden ze het liefst als snoep of improductieve subsidies onder hun arme en gelovige aanhang uitdelen.

De pragmatici willen graag onderhandelen met het Westen maar vanuit een gelijkwaardige positie en op een zakelijke toon – zonder glimlach en vriendelijke gebaren à la Khatami. Ze beroepen zich op het internationaal recht en ze beheersen de diplomatie uitstekend. De Iraanse hoofdonderhandelaar in het nucleaire dossier, Ali Larijani, is een van deze pragmatici. In de nationale politiek staan zij net als de hardliners voor een sterke en desnoods onderdrukkende staat.

Ondanks hun verdeeldheid sluiten beide ‘nieuw rechtse’ kampen de rijen zodra het voortbestaan van de Republiek wordt bedreigd, van binnen of van buiten. Dat geldt evenzeer voor de belangrijkste kopstukken van de gematigde tak, Rafsanjani en Khatami.

3

Iraanse kernmacht bedreigt Israël en de wereld

In de discussie rondom Iraanse nucleaire activiteiten is het onderscheid tussen nucleaire energie en nucleaire wapens ernstig vertroebeld. Iran beroept zich op het Non-proliferatieverdrag (NPV) en zijn verplichting geen kernwapens te produceren in ruil voor technologie voor kernenergie. Strikt genomen is dat een valide argument, en dat is dan ook de wapenkreet van Teheran: ‘kernenergie is ons onvervreemdbare recht’. Maar de zorgen van het Westen gaan over de potentiële gevaren van de nucleaire technologie. Wat als een land besluit toch nucleaire wapens te produceren? Hoe reëel is dit in het geval van Iran?

De bottleneck van de nucleaire discussie rondom Iran is verrijking van uranium. Verrijkt uranium tot circa 3 à 5 procent wordt gebruikt om splijtstof te maken voor energiewinning. Het voortzetten van dit verrijkingsproces tot boven de 70 procent maakt hoogverrijkt uranium dat geschikt is voor militaire doeleinden. Maar heeft een land daarmee een kernbom? Neen, want dan zijn er ontstekingsmechanismes en dragers van deze bom nodig en het is zeer de vraag of Iran daarover kan beschikken. De Shahab-raketten waarmee Iran herhaaldelijk pronkt, zijn beslist geen geschikte dragers voor een kernkop.

Ahmadinejad kondigde onlangs op de ‘eerste nationale dag van de nucleaire technologie’ aan dat Iran zich bij de ‘nucleaire club’ had gevoegd: het zou in staat zijn nucleaire brandstof op industriële schaal te produceren. Deze grootspraak werd daags erna door IAEA-inspecteurs in Iran tegengesproken. Vermoed wordt dat Iran met serieuze technische problemen kampt. De aanwezige centrifuges betreffen verouderde modellen die dankzij de Pakistaanse atoomgeleerde Khan en via Pakistan aan Iran zijn doorverkocht.

De prominente militaire aanwezigheid van de Verenigde Staten rond Iran – aan de oost- en westkant, maar ook in de kleine Golfstaten en de voormalige Sovjetstaten – verschaft Iran een serieuze reden tot zorg.

De Israëlische militaire historicus Martin van Creveld zei na de Amerikaanse invasie in Irak: „Iraniërs zullen gek zijn als ze niet proberen kernwapens te maken”. Er is dus wel degelijk een motief, maar is dat hetzelfde als politieke wil?

Velen dichten Iran en zijn president irrationaliteit toe, verwijzend naar zijn uitspraken over het van de kaart vegen van Israël. Maar het levende organisme van de Iraanse politiek is bovenal begaan met zijn eigen voortbestaan. Niemand gaat een nucleaire mogendheid – en dat is Israël wél – aanvallen. De onsmakelijke retoriek over Israël dient andere doelen – zie misvatting 1. Overigens is de kans groter dat Israël Iran aanvalt: in 1981 heeft Israël al de Iraakse kerncentrale in Osirak gebombardeerd.

In de nucleaire discussie blijven opmerkelijk genoeg andere kernwapenbezitters – Israël, Pakistan en India – geheel buiten schot. Geen van deze drie landen heeft het NPV ondertekend en hoeft de IAEA-inspecteurs toegang te geven tot nucleaire militaire installaties. Deze dubbele standaard is in Iran koren op de molen van de hardliners die – helaas met succes – van kerntechnologie een zaak van nationale trots hebben gemaakt.

Dat genoemde landen kernwapens bezitten is natuurlijk geen rechtvaardiging voor Iraanse kernwapens, noch een pleidooi voor een wapenwedloop. Maar het is wrang dat juist een land als Pakistan – onder militaire dictatuur – geheel buiten de discussie blijft, louter wegens het feit dat het een bevriende staat is in de ‘oorlog tegen het terrorisme’.

4

Het Iraanse regiem valt een dezer dagen

De wens is de vader van de gedachte. Al 28 jaar is deze verwachting de motor achter de onverzoenlijke Amerikaanse strategie tegen de Islamitische Republiek. De VS hebben op allerlei manieren geprobeerd om Iran ‘het juiste duwtje’ richting een regime change te geven.

Waarom bleef die begerig verwachte opstand van het volk en regime change uit? De Iraanse revolutie van 1979 was een volksopstand, een reactie op een halve eeuw tirannie van de Pahlavi-dynastie, die op de onvoorwaardelijke steun van het Westen mocht rekenen. Maar de politieke turbulente jaren na de revolutie, het ontaarden van die revolutie in louter islamisme en natuurlijk de oorlog die volgde, heeft bij veel Iraniërs scepsis veroorzaakt over grote veranderingen. Er is onverkort een hang naar verandering, maar dan liever langzaam en duurzaam.

Die uit zich in de groei van sociale bewegingen, zoals vakbonden en in het bijzonder de vrouwenbeweging. Deze laatste is een bewijs van een springlevende civil society in Iran. Ondanks of misschien zelfs dankzij het religieuze bewind van Teheran wordt de noodzaak van activisme gevoeld onder de vrouwelijke deel van de bevolking. Hun betogingen zijn vreedzaam en hun eisen gestoeld op sociale en juridische rechten.

Het gevaar dreigt nu ook dat de VS met oude en verkeerde veronderstellingen een oorlog beginnen met Iran: ‘de eerste bom op Iran brengt het volk in opstand en de rest gaat vanzelf’. Allereerst wordt daarmee de afkeer van Iraniërs tegen een militair ingrijpen onderschat. De herinnering van acht jaar oorlog met Irak staat Iraniërs pijnlijk diep in het geheugen gegrift.

Daar komt bij dat het Amerikaanse debacle in Irak mensen in het Midden-Oosten uiterst sceptisch heeft gemaakt over buitenlandse (militaire) inmenging en de zogenoemde democratisering die die moet brengen. In Iran manifesteert dat zich in toenemende cynisme tegen het Amerikaanse democratiseringsproject voor het Midden-Oosten. Saillant detail is dat zelfs de meest geharnaste tegenstanders van de huidige machthebbers zich eensgezind tegen een oorlog keren. Twee vooraanstaande voorbeelden zijn Akbar Ganji – een van de belangrijkste Iraanse dissidenten – en de Nobelprijswinnares voor de Vrede in 2003, Shirin Ebadi.

Iran anno 2007 is niet in de ban van het exporteren van zijn ideologie. De huidige machthebbers zijn beslist strijdlustig, maar ze willen niet meer hun religieuze dogma’s aan de rest van de wereld opleggen. Waar ze wel op uit zijn, is erkenning voor de Islamitische Republiek als een regionale macht. Zij willen uit de ‘As van het Kwaad’ herrijzen en op gelijke voet aan de onderhandelingstafel zitten. Ze willen een genormaliseerde band met het Westen, waarin voldoen aan de Westerse eisen in de nucleaire kwestie geen voorwaarde maar een uitvloeisel is van een wederzijdse verplichting tot duurzame samenwerking.

Iran voelt zich gesterkt in de regio. Zowel het feit dat Amerikanen tot hun knieën gestrand zijn in Irak, als de sterke positie van bondgenoten Hamas en Hezbollah in respectievelijk Palestina en Libanon geeft Iran meer zelfvertrouwen dan ooit.

Het Westen, en Amerikanen in het bijzonder, moet onder ogen zien dat zijn beleid jarenlang gestoeld is geweest op een achterhaald beeld van Iran en op de daarmee samenhangende grove misvattingen die tot nu toe enkel de Iraanse haviken in de kaart hebben gespeeld. Het is hoogste tijd voor een nieuw model om Iran beter te begrijpen en er adequaat naar te handelen. Sancties en stoere taal halen niets uit . In dat laatste is de Iraanse president zelf een grootmeester. En sancties zijn een veelbeproefde methode die al twee decennialang niets heeft opgeleverd.

Directe diplomatie zonder voorwaarden vooraf is de beste manier om Iraanse hardliners langzaam maar zeker, te temmen en ruimte te creëren in Iran voor de vitale sociale bewegingen en de in de hoek gedreven intellectuelen. Iran is in het Midden-Oosten het land met potentieel voor een duurzame democratisering, maar dan in eigen tempo en op eigen kracht. Democratisering is enkel mogelijk als de Iraanse politieke machthebbers uit de verdediging gelokt kunnen worden. Het voortduren van de internationale crisis is hun politieke zuurstof.