Een drilmachine molt de lol voor jonge sporters

Dat verlegen kinderen beter een teamsport kunnen beoefenen en drukke kinderen een individuele sport, is een misverstand. Elke sport is sociaal en er zijn honderd manieren om kinderen te trainen.

Gelooft u dat het voor een kind zonder broers of zusjes juist belangrijk is in teamverband te sporten? Denkt u dat een verlegen kind van zijn verlegenheid afkomt door op een groepssport als basketbal of voetbal te gaan? Gelooft u dat drukke kinderen baat hebben bij een sport die ze individueel kunnen beoefenen – bij hardlopen, zwemmen, fietsen? En houdt uw kind van vechten, besluit u hem dan op karate te doen?

Als u dit als ouder gelooft, gelooft u volgens sportpsycholoog Jan Huijbers in sprookjes. In het Amsterdamse debatcentrum De Balie windt hij er geen doekjes om. „Zulke uitspraken slaan nergens op. Elke sport is sociaal, of je nu in teamverband of individueel een sport beoefent. Ook als individuele sporter maak je deel uit van een team. Of je nu tennist, hardloopt of hoogspringt: je bent lid van een vereniging, gaat met anderen op wedstrijd, traint met elkaar, moedigt elkaar aan.”

Huijbers, die vorig jaar samen met voormalig topvolleybalcoach Peter Murphy het standaardwerk Totaalcoachen schreef, geeft onder andere mentale trainingen aan het Nederlandse beachvolleybalteam. In Totaalcoachen maken Huijbers en Murphy een onderscheid in vier karaktertypes, met daaraan gekoppeld vier mogelijke concentratievormen, aandachtstijlen en leerstijlen. De tactiek en mentale begeleiding van de trainer of coach moet op die verschillende ‘action types’ zijn afgestemd. Huijbers: „Ouders zouden bij hun keuze voor een sport van hun kind beter moeten letten op de trainer die in het veld staat, dan of een sport in teamverband wordt beoefend of individueel. Een be like me-trainer, zo’n drilmachine, is een ramp. Zo iemand molt de lol voor iedere sport. Geen enkel elftal bestaat alleen uit middenvelders.”

De laatste minuten van een schooldag – wat tikken ze tergend langzaam voorbij. Onmogelijk om nog stil te zitten op je stoel. Je wilt, je móet opstaan, je voeten móeten bewegen. En dan, eindelijk is daar de verlossing: de bel. Je sprint naar buiten, het schoolplein op, wie heeft er een bal? Jij? Oké! Partijtje?

Floran Kelderman is 9 jaar oud en voetbalt sinds zijn zevende bij Union in Nijmegen. Voor Floran begint het leven bij voetbal. Iedere dag na school is hij te vinden op het schoolplein in Bottendaal. Hij voetbalt mee met kinderen die veel groter en ouder zijn dan hij. En toch heeft hij er een plaatsje veroverd. „Floran is een gevoelig kind”, zegt zijn moeder Carine. „Hij heeft moeite om met emoties om te gaan. Hij zit op een gemêleerde school, met kinderen die van wanten weten. Hij huilde vaak. Tja, en hoe gaat dat? Wie huilt is een loser.”

De sport maakte Floran weerbaar, volgens zijn moeder. „Hij is een goed voetballertje aan het worden. Als Floran nu staat te huilen, zeggen de jongens: ‘Hij jankt, maar hij scoort wél.’”

Floran zit in een gewoon elftal, geen geselecteerde ploeg. Toch is het competitie-element belangrijk. „Hij leert hoe bevredigend het is samen iets na te streven, samen iets te bereiken”, zegt zijn moeder. „Hij leert met zwakkeren rekening te houden, want ook die heb je nodig in een team. Hij leert omgaan met winst en verlies.”

Verlies was er bijvoorbeeld op zaterdag: een typische voetbaldramadag, zegt ze. Floran is met de E13 géén kampioen geworden en Floran stond in het doel. „Het mooie is: niemand die hem daarop heeft afgebrand na afloop. Heel veel jongens hebben staan huilen na de wedstrijd. Floran begreep: we hebben verloren, maar we zijn toch geen losers”, zegt zijn moeder.

‘‘Kinderen kunnen nooit verliezen. Kinderen doen het altijd goed”, zegt Boudewijn Mooren. „Als kinderen oefenen en een beetje hun best doen, is het nooit slecht.” Mooren is maître, leraar bij een bij uitstek individuele sport: schermen. Hij is op latere leeftijd begonnen met schermen en heeft in die sport zelf „niets bereikt”. Hij is bondscoach geweest bij verschillende wereldkampioenschappen voor junioren, leerlingen van hem zijn nationaal jeugdkampioen geworden en hebben zich gekwalificeerd voor wereldjeugdkampioenschappen. Nu geeft hij les op twee schermverenigingen in Baarn en Amsterdam.

Ook Mooren gelooft niet in de sprookjes waarin ouders graag geloven: dat verlegen kinderen gebaat zijn bij teamsporten en assertieve, drukke kinderen zich moeten uitleven in individuele sporten. „Er zijn honderd verschillende manieren om kinderen te trainen, er is geen standaard procedure. Als ik ze hier binnen krijg op hun zevende of achtste, zijn het allemaal wildebrasjes die dromen van Zorro en ridders. Schermen heeft daar helemaal niets mee te maken”, vertelt Mooren.

„Natuurlijk is schermen een individuele sport, in de zin dat je op een toernooitje in je eentje tegen een tegenstander met een wapen in het krijt moet. Maar je gaat naar die wedstrijdjes met kinderen uit je groep, met kinderen uit je vereniging. Je bent niet alleen. Ik moedig ze aan, en als ze iets niet goed doen, dan zeg ik daar wat van, maar altijd met een grapje. ‘Je hebt toch geen soepstengel in je hand, maar een wapen?’ Zoiets. En als een kind klaagt: ‘Ik kan nooit winnen van die schermer’. Dan antwoord ik: ‘Nee, je kunt niet winnen. Maar je kunt wel verliezen met 15-14.’”

Belangrijker dan de keuze voor een individuele of een teamsport is het volgens Mooren dat ouders hun kinderen steunen in de sport waar ze zich ‘totaal’ in willen verliezen. „Ik heb een leerling die van zijn ouders moet zeilen, moet pianospelen. Allemaal vanuit opvoedkundig perspectief. Maar schermen – dat is iets van hém. En de ouders? Die moeten tevreden zijn met een bescheiden rol: ze moeten zorgen voor voldoende geld, voor vervoer en een schone zakdoek af en toe. Stimuleren, zonder af te dwingen. Zo’n kind krijgt gegarandeerd minder problemen in de puberteit.”