Druk, druk

U kent het ongetwijfeld allemaal uit eigen ervaring. Er wordt aan het begin van een vergadering een tekst rondgedeeld, met het verzoek om die te lezen. Na een paar minuten kijken de eersten op van hun papier en monsteren de anderen die nog gebogen zitten over de tekst. Als na enige tijd zo ongeveer driekwart van het gezelschap duidelijk uitstraalt dat het lang genoeg heeft geduurd, gaat de voorzitter ervan uit dat iedereen klaar is met lezen. De achterblijvers protesteren niet want niemand loopt graag te koop met zijn zwakheden.

De snelheid waarmee mensen met eenzelfde niveau van opleiding een tekst lezen toont enorme verschillen. Interessant daarbij is dat snelle lezers er net zo veel van opsteken als degenen die er bijvoorbeeld drie keer zo lang over doen. De tijd die we nodig hebben voor het bestuderen van een tekst loopt dus sterk uiteen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor veel andere taken, alleen valt het daarbij niet zo op als bij het gezamenlijk kennisnemen van een tekst.

Voor het berekenen van de studielast van een tentamen wordt de omvang van het te bestuderen materiaal als uitgangspunt genomen. In dat verband herinner ik me de vuistregel van vijf bladzijden per uur. Natuurlijk realiseerden de opstellers van die regel zich ook wel dat factoren zoals de hoeveelheid tekst per pagina en de moeilijkheidsgraad van een studieboek sterk kunnen variëren, maar die vuistregel werd blijkbaar gezien als een redelijk gemiddelde. Stel dat dit inderdaad zo is, dan geldt dat alleen de gemiddelde student. En wat dat betreft, zo hebben we gezien, zijn de verschillen groot.

De een werkt dus veel sneller dan de ander. Dat geldt niet voor alle werkzaamheden. Een vergadering of werkoverleg duurt voor iedereen even lang en de reis ernaar toe ook.

De advocaat rekent een uurtarief en dat hij minder snel werkt dan een collega blijkt nergens uit: geen enkele zaak is hetzelfde.

Voor leraren ligt dit anders. Hun positie is vergelijkbaar met die van de studenten. De snelle werker heeft het gemakkelijker dan degene die er allemaal meer tijd voor nodig heeft. Vandaar ook dat het heel gewoon is dat leraren die op dezelfde school hetzelfde vak doceren de zwaarte van het werk als heel verschillend ervaren. Leraren die constant gebukt gaan onder tijdnood zoeken de oorzaak daarvan bij hun eigen verdiensten: ze maken zich er niet zo gemakkelijk van af als sommige collega’s, maar vaak is dat natuurlijk onzin.

Onlangs kreeg ik een uitgebreide, anonieme brief van een lerares. Daarin deed ze haar beklag over het vele werk. Het beroep van leraar was, vond ze, te veeleisend, het was gewoon allemaal niet te doen. Daarom had ze gekozen voor een driekwart baan, maar nog kon ze het vele werk nauwelijks aan.

Je kunt je de vraag stellen of zo iemand wel het juiste beroep heeft gekozen. Er zijn namelijk ook veel leraren die er heel anders over denken, en dat bepaald niet omdat ze zich er met een jantje-van-leiden vanaf maken.

Tegenwoordig zie je dat jongeren die in het onderwijs gaan werken en tot de ontdekking komen dat ze het werk te zwaar of om wat voor andere reden dan ook niet bevredigend vinden, iets anders gaan doen. Die luxe hebben veel ouderen nooit gekend. Wie bijvoorbeeld in de jaren tachtig een baan vond in het onderwijs en al vlug tot de ontdekking kwam dat het werk te zwaar viel, kon niet kiezen voor een baan elders. In die jaren mocht je blij zijn dat je überhaupt werk had gevonden op je eigen niveau.

Daar moest ik, al dan niet terecht, aan denken bij het lezen van die brief van die anonieme lerares.

lgm.prick@worldonline.nl