Disciplines op drift

Stelt u zich eens voor: u bent de voorzitter van een prestigieuze universiteit en u heeft een probleem, een enorm luxeprobleem. U moet namelijk gaan uitbreiden. Niet met een enkel instituut of een enkele opleiding. Geen bescheiden groei van hier en daar een procent of twee. Nee, u moet gaan verdubbelen, honderd procent groei. En maakt u zich vooral geen financiële zorgen, want er staan enkele tientallen miljarden op de bank. Wat gaat u doen? Welke gebieden gaat u versterken? Hoe gaat u al die mooie woorden, wensenlijstjes, toekomstvisies en dagdromen, die zo geduldig op de plank liggen te wachten, in concrete daden vertalen?

Weest u niet bezorgd, want van dit soort dilemma’s hoeven de Nederlandse universiteiten voorlopig niet wakker te liggen. Ze kunnen rustig blijven doordromen en mogen blij zijn als ze één euro extra van de miljarden van dit kabinet krijgen. Maar de president van Harvard University moet wel dit soort knopen doorhakken. Voor haar – ja haar, want na de vrouwonvriendelijke uitlatingen van de vorige president Larry Summers, staat daar nu de historica Drew Faust aan het roer – is dit geen gedachte-experiment, maar de harde werkelijkheid. Harvard heeft namelijk het ambitieuze plan de bestaande campus de komende vijftig jaar in oppervlak te verdubbelen, waartoe aan de overkant van de Charles River in Allston, een buitenwijk van Boston, een groot stuk grond is aangekocht. Deze nieuwe campus moet een rolmodel voor de universiteit van de eenentwintigste eeuw worden.

Het symbolische prestige van Harvard (dat de werkelijke wetenschappelijke status ver overstijgt) en het duizelingwekkende banksaldo van dertig miljard dollar (zo groot als de jaarbegroting van het ministerie van OCW) zijn een explosieve combinatie. De inhoudelijke keuzen van dit megaproject zijn dan ook van belang voor de gehele academische wereld. Opvallend is dat men bijna exclusief inzet op grootschalige en interdisciplinaire projecten met een sterke bètatechnische inslag. Ecologie en biologische diversiteit, de oorsprong van het leven, de fundamentele wetten van de kosmos, de mondiale gezondheidszorg, de rol van informatietechnologie in de samenleving, quantumtechnologie en nieuwe materialen – geen van deze onderwerpen valt precies binnen de grenzen van de klassieke disciplines en die vragen allemaal om grote teams, ingewikkelde apparatuur en serieus rekenwerk. Deze onderwerpen zijn natuurlijk verre van origineel. Het zijn de usual suspects, ook binnen de Nederlandse wetenschap. Interessant is echter dat men in Harvard zonder enige terughoudendheid ook de financiële verplichtingen voor de lange termijn durft aan te gaan, en dat betaald uit eigen zak!

Interdisciplinariteit heeft in sommige kringen nog steeds een slechte, of op z’n minst een dubieuze reputatie. Misschien niet helemaal ten onrechte, want op het grensgebied van twee terreinen kan men zich gemakkelijk verschuilen achter het excuus dat de betere helft net uit het zicht aan de overkant ligt. Zoals ik laatst hoorde zeggen: “Zijn stukken zijn altijd geniaal, behalve die ene keer, toen hij het over mijn vakgebied had. Dat was net even wat minder.”

Lang geleden, toen ik van het rechte pad was afgedwaald en de natuurkundestudie voor de kunstacademie had verlaten, werd ik zelf met dat schrikbeeld geconfronteerd. Op het moment dat ik daar aankondigde dat ik terug naar mijn eerste liefde de fysica zou gaan, een verleden dat ik angstvallig geheim had gehouden, werd mij gezegd: “Wat jij moet gaan doen, is technisch tekenaar worden!” Met alle respect voor dit vak, kreeg ik daarbij toch onmiddellijk een beeld van twee majestueuze bergtoppen, de wetenschap en de kunst, met daartussenin een drassig laagland, waar men veroordeeld is om de hele dag met passer en liniaal op ruitjespapier fantasieloze figuren te tekenen. Wie verkiest daar te toeven? Wie wil de twijfelachtige eer hebben de beste schilder onder de fysici of de beste fysicus onder de schilders te zijn? (Hoewel, als ik nu in een verre hotelkamer plaatjes maak voor mijn zoveelste powerpoint-presentatie, denk ik dat er wel een kern van waarheid in dat advies lag.)

Nu mag het niemandsland tussen kunst en wetenschap uit drijfzand bestaan, binnen de wetenschap ligt dit toch iets genuanceerder. Om de topografische metafoor van hoge toppen en diepe dalen nog even voort te zetten – en in ons vlakke land zijn we gek op het beklimmen van denkbeeldige bergpieken – we moeten vooral niet te statisch over het wetenschappelijke landschap denken. Er zijn subtiele maar onweerstaanbare krachten van erosie en opstuwing werkzaam. Wat eerst nog een zompig moeras was, kan later een ijle hoogvlakte zijn geworden. Grazige weiden kunnen veranderen in dorre woestijnen. Disciplines zijn als continenten, die langzaam over de aardbol zwerven. Soms botsen ze en werpen nieuwe hooggebergten op; soms verwijderen ze zich en creëren diepe troggen; soms scheuren ze in stukken uiteen.

Mijn eigen vakgebied, de mathematische fysica, bevindt zich precies op zo’n breuklijn tussen twee disciplines. De natuurkunde en de wiskunde zijn in een eeuwenlange, goed gedocumenteerde dans van aantrekking en afstoting gevangen. Grote doorbraken als van Newton en Einstein waren ondenkbaar zonder nieuwe wiskundige methoden. Maar het is ook wel eens anders geweest. Zo stonden deze disciplines in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in een koude oorlog met de ruggen tegen elkaar. Natuurkundigen werden om de oren geslagen met nieuwe deeltjes, die helemaal niet in hun theoretisch schema pasten; wiskundigen gingen juist in innerlijke ballingschap om de fundamenten van hun vak te herzien. Zoals Ortelius zich in de zestiende eeuw afvroeg, waarom de verre kustlijnen van Zuid-Amerika en Afrika zo mooi in elkaar pasten, zo kon men zich toen verbazen waarom wiskundigen en natuurkundigen zó verschillend over hetzelfde konden denken. De fysicus Freeman Dyson drukte het beeldend uit: “Het huwelijk tussen de wiskunde en de fysica, dat zo enorm vruchtbaar was in het verleden, is recentelijk in een scheiding geëindigd.” Maar niets is zo wispelturig als de wetenschap. De laatste dertig jaar is de oude liefde weer helemaal opgebloeid.

Het komen en gaan van academische genegenheid is dus van alle tijden. Maar, zoals de plannen van Harvard weer eens bevestigen, heerst er op dit moment binnen de wetenschap wel een heel sterke interdisciplinaire geest. De lente zit in de lucht. Ik denk zelfs dat het moeilijk is een andere periode in de geschiedenis te vinden waarin disciplines zozeer samenkomen als nu. Minstens twee factoren spelen daarbij een rol. Allereerst, de groeiende complexiteit van de onderwerpen: om een cel of een brein, laat staan een compleet organisme of een ecosysteem in detail te begrijpen, moet men zoveel verschillende technieken en concepten combineren, dat je dat noodzakelijk in een interdisciplinair team moet doen. Ten tweede vragen ook alle grote maatschappelijke problemen, of het nu energie, klimaat, milieu, veiligheid of gezondheid betreft, om een geïntegreerde aanpak. Deze stuwende krachten zullen alleen maar toenemen. Bij definitie wordt de wetenschap ingewikkelder en uitgebreider, en globalisering maakt ook de vragen uit de maatschappij groter en urgenter.

Zijn wij dan op weg naar een totale versmelting van alle disciplines, de komst van een academisch Pangea waarin alle continenten aaneensluiten tot één supercontinent? Dat lijkt me wat voorbarig en ook onwenselijk. Eenheid in verscheidenheid geldt ook binnen de wetenschap. Niemand is erbij gebaat om alle gerechten in een blender te gooien, deze eens flink te klutsen en vervolgens als een smakeloze brei te serveren.

Wat ons niet belet weg te dromen bij een feestelijk zevengangenmenu, zoals dat nu aan de andere kant van de Atlantische Oceaan wordt opgediend.