De twee-eenheid van markt en ziel: Universiteit moet meer durven zijn dan een organisatie

De afgelopen decennia is de universiteit zich steeds meer als een zakelijke organisatie gaan gedragen, zich richtend naar de wetten van de markt. Dat is niet onverdeeld verkeerd. Maar de plicht tot brede vorming mag niet verloren gaan, zegtFrits van Oostrom.

In Nederland werken zo’n duizend professionele archeologen. Wie dat veel vindt, moet bedenken dat slechts vijftig hiervan aan universiteiten zijn verbonden en dat die dus met zijn vijftigen de studie van de prehistorie, de Egyptenaren, Grieken en Romeinen en Azteken, Dorestad en nog zo wat moeten beredderen. Daarnaast zijn bij Nederlandse gemeenten honderd stadsarcheologen in dienst, die over het lokale ondergrondse erfgoed hoeden. De overige 850 archeologische arbeidsplaatsen zijn te vinden in de commerciële sector.

De bloei daarvan is een recente ontwikkeling. Sinds het verdrag van Malta in 1992 zijn bij grote bouwprojecten opgravingen verplicht op kosten van de projectontwikkelaars. Dat werk wordt uitbesteed aan 75 bedrijfjes die inmiddels 90 procent van de opgravingen in Nederland verzorgen. Men hoeft geen marxist te zijn om aan te voelen dat deze concurrerende bedrijfjes tempo maken en niet teveel op zoek gaan naar complicaties en verrassingen. Want de opdrachtgever moet natuurlijk iets heel anders met die grond.

Dat resulteert in massa’s data. De paar universitaire archeologen zijn op geen stukken na voldoende om ze te analyseren, te minder omdat de universitaire archeologie de laatste tien jaar met een kwart is beknot. Het gevolg is een archeologische boterberg. Archeologen zijn vooral nodig om het bouwterrein, zoals dat in de wereld van projectontwikkelaars treffend heet, ‘archeologievrij’ te maken. Bedoeld om al te gretig winstbejag te temperen, is het verdrag van Malta zelf prijsgegeven aan marktwerking, en heel de archeologische wetenschap daarbij.

Hoe de markt vandaag de dag interfereert met de wetenschap is een verschijnsel dat naast kansen ook heel wat spanningen oproept. Er zijn talloze voorbeelden te noemen, uiteenlopend van beleidsgevoelig onderzoek in de sociale wetenschappen tot aan de invloed van de farmaceutische industrie op het medisch onderzoek. Zorgelijk vind ik dat de resultaten van commercieel gesponsord medisch onderzoek significant fermer en positiever worden geformuleerd dan vergelijkbaar onafhankelijk onderzoek. En dat wetenschappelijke studies in opdracht van farmaceutische bedrijven aantoonbaar gunstiger uitpakken voor deze financiers dan hetzelfde onderzoek betaald uit minder belanghebbende bron.

Nu valt van de markt niet anders te verwachten dan dat zij haar werk doet, en dat is nu eenmaal expanderen en penetreren. Daarom gaat het ook niet aan die markt de schuld te geven. Wetenschappers waren er zelf bij. Het infiltreren van de markt is des te makkelijker gegaan omdat wetenschappers, en zeker ook hun bestuurders, te weinig ruggegraat hebben getoond, ja sterker nog: te vaak hebben gedacht dat zij er op vooruit zouden gaan als zij het academische lichaam bloeddoping zouden toedienen met modern marktdenken.

Het sprekendste symptoom van deze infiltratie is onze taal, die fijne thermometer van de tijdgeest. Onderwijsrendementen, facilitair bedrijf, bedrijfsmatig werken, bedrijfscultuur, management team, outsourcen, capaciteitsgroepen, prestatieafspraken, ranking, targets, holdings, control, projectmanager, output, procesmanagement, corebusiness, hrm beleid, productieve onderzoekers, hersenen als grondstof, kennis als product – het zijn vertrouwde termen in de universitaire omgang.

Wat er op de universiteit ook bij gekomen is zijn directeuren. De faculteit die ik in 1982 verliet had één directeur – die wel zo wijs was om zich secretaris te noemen. Bij terugkomst twintig jaar later trof ik niet meer studenten aan, maar wel 21 directeuren. Ik schat dat de Universiteit Utrecht minstens honderd directeuren telt, en alle Nederlandse universiteiten samen zeker meer dan duizend.

Minstens zo veelbetekenend is de proliferatie aan hoogleraren die zich tooien met de titel van directeur-onderwijs of -onderzoek. Ze lijken niet meer weg te denken, met hun kleine stafjes voor hun eigen ondersteuning. Zij tonen een onwrikbaar geloof in sturing van bovenaf en controle als middel. En dan wordt terminologie gemakkelijk tot filosofie. Want wie directeur wordt, gaat directieven uitdenken en controleren of ze worden nageleefd. Vooral waar het beginsel ‘meten is weten’ een monsterverbond aanging met angst voor het inhoudelijke oordeel, heeft dit geleid tot verheerlijking van het getal. Wat niet telbaar is, telt niet.

Dit zijn natuurlijk zeer verraderlijke mechanismen, met een hoge kans op pervertering, zoals wij allen weten. Niemand onder ons zal ook maar een moment staande houden dat iemand die dertig artikelen per jaar produceert een betere onderzoeker laat staan geleerde is dan iemand met drie; of dat de docent die braaf de studiewijzer aanhoudt en bij wie 90 procent slaagt een betere leraar is dan wie geregeld improviseert en 30 procent afwijst. Maar monetariseren, meten en becijferen leiden als vanzelf tot de wensdroom van meer zogenaamde baten voor minder zogenoemde kosten. In de markt mag dat een redelijk beginsel zijn, in de wetenschap gaat het niet op. Dat bleek nog onlangs tijdens de uitreiking van de Descartes-Huygensprijzen, waar beide laureaten, ofschoon zeer succesvol in de arena van megasubsidies in proteomics en neurowetenschappen, hartgrondig beleden dat het juist de kleinere projecten zijn waarin de ware excellentie huist.

Het wordt hoog tijd dat de universiteit ophoudt met het nadoen van de markt, en zich de diagnose aantrekt die de Raad van Economisch Adviseurs (REA) onlangs voor de gehele Nederlandse publieke sector heeft gesteld: die aapt teveel het bedrijfsleven na, daarmee de unieke kwaliteiten van de eigen sector miskennend. Met als gevolg, zo ben ik geneigd er achteraan te denken, dat jonge mensen bij de keuze voor een werkkring in de publieke sector het gevoel krijgen ten hoogste op te gaan voor de paralympics.

In oktober 2003 publiceerde het Centraal Planbureau een document onder de waarschijnlijk geestig bedoelde titel ‘Prikkel de prof’. Het handelde over de vraag of de prestaties van universitaire onderzoekers moesten worden opgevoerd, en zo ja hoe. In dat kader werden „vijf belangrijke inzichten” aangereikt, waarvan het eerste neerkwam op het feit dat uit empirisch onderzoek telkenmale blijkt „dat financiële prikkels van invloed zijn op gedrag”. Ter adstructie daarvan werd verwezen naar „een nu al klassiek artikel” uit 2000, dat laat zien wat de effecten waren van de invoering van stukloon in plaats van uurloon in een bedrijf: de productiviteit „nam met maar liefst 44 procent toe”. Het bedrijf in kwestie verving kapotte autoruiten. Het gaat mij er niet om dat deze vergelijking met Kwikfit niet chique genoeg zou zijn voor de fijnbesnaarde academische geesten, maar dat ze net zomin ergens op slaat als wanneer men onderzoekers zou vergelijken met staatshoofden, doodgravers of filmsterren. Dat het Centraal Planbureau dit empirisch inzicht uit het productiebedrijf toch meende te moeten releveren in een beschouwing over prestaties in de wetenschap, acht ik een zorgelijk teken.

Nu kan men kan tegenwerpen dat dit voorbeeld een exces is, en nooit tot grondslag van beleid verheven. Maar wat de laatste jaren wel is ingevoerd, getuigt volop van marktdenken en marktwerking in de wereld van de wetenschap. In feite heeft het ministerie van Economische Zaken op de bok gezeten bij alle nieuwe concoursen om de grote onderzoekssubsidies. Onderwijl is het dingen naar deze fondsen zelf ook al weer voorwerp van marktwerking geworden, met tekstschrijfbureaus, subsidiologen en consultants die zich opwerpen om wetenschap te laten scoren. Er hebben zich gelegenheidsconsortia gevormd die werkten onder een tijdsdruk die niet in verhouding stond tot de bedragen waarom het ging, met een geheel eigen bureaucratie en een soms zorgelijke tendens om insiders te favoriseren. Met op de achtergrond de overtuiging bij bestuurders dat men, net zoals bij bedrijfsinvesteringen, in de wetenschap vooraf strategische keuzes moest maken.

Nu kan investeringsstrategie soms zinnig zijn, want wetenschap is kostbaar. Afwegingen en impulsen langs verkozen lijnen zijn dus heus niet generaal taboe. Zolang men maar voor ogen houdt dat ze niet het wezen raken, en men die wetenschap minstens zo sterk via de ziel blijft voeden. Dat betekent vooral: met oog voor de lange termijn. De hypermoderne koolstofnanotechnologie gaat terug op een destijds onopgemerkt theoretisch artikel van Wallace uit 1947, waarvan pas twee generaties later de en potentiële commerciële uitnutting is gezien. Bij vrijwel alle doorbraken is het langs een dergelijke weg gegaan, zoals blijkt uit het werk van Joel Mokyr die vorig jaar de Heinekenprijs kreeg voor zijn onderzoek naar de correlatie tussen technologische en economische vooruitgang door de eeuwen heen.

Vrijwel alle grote innovaties zijn begonnen bij nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek. Iedereen met kennis van zaken weet dit en het is al vaak genoeg gezegd, maar dreigt telkens weer te worden verdrongen door belangen en scoringsdrift op korte termijn. Inmiddels is het beleid hier lelijk doorgeslagen, zo zeggen ook onderzoekers die werken op het snijvlak van fundamenteel en toegepast onderzoek. Zij weten als geen ander dat echte innovatie geen kwestie is van strooigoed, maar van het scheppen van klimaat en investeren in klimaatbeheersing, ook al is dat dan misschien geen uitgesproken sexy bezigheid.

Na diverse tegengeluiden tegen het adhocbeleid begint nu gelukkig de correctie veld te winnen. Het recente coalitieakkoord getuigt ervan met een op dit niveau lang niet gehoorde frase: „Er wordt […] extra geïnvesteerd in het ongebonden en zuiver wetenschappelijk onderzoek”.

Ook dit wijst op minder bovenhandse sturing en meer vrijheid van onderzoek. Zoiets wekt tegenwoordig wantrouwen bij de buitenwacht van politiek en economie, waar men vrijheid van onderzoek associeert met nieuwe vrijgestelden. Maar vrijheid is iets anders dan vrijblijvendheid. Niemand zou dat overigens beter mogen beseffen dan de markt zelf, die altijd vraagt om vrijheid, zo min mogelijk regels en ruim baan voor het bedrijfsleven. Dat kan ik goed begrijpen van VNO en MKB, die uit ervaring weten dat aldus de creativiteit van ondernemerschap goed tot zijn recht kan komen. Maar eis die ruimte niet alleen voor ondernemers op, maar gun haar ook aan onderzoekers. Ook de kenniseconomie floreert niet als planeconomie. Wat dat betreft hebben onderzoek en ondernemerschap hun ziel gemeen.

De laatste jaren is een platte visie leidend is geweest in het beleidsdenken over hoger onderwijs. Onderwijs als product en de student als rondshoppende consument waren misplaatste projecties van marktdenken op de universitaire wereld. Ik geef dit neoliberale leerrechtenmodel graag de zegen na. Moge het ons bemoedigen ook korte metten te maken met twee andere marktkarikaturen: de student als „manager van zijn eigen leerproces” en de universitaire studie als een schutsluis naar de arbeidsmarkt. Het eerste heeft geleid tot een enorme afstandelijkheid in onze onderwijscultuur, vooral bij de studentrijke en relatief stafarme opleidingen; het tweede tot versmalling van het onderwijs tot scholing met te weinig vorming.

Om dit tij te keren, is vereist dat docenten hun verantwoordelijkheid hernemen, en dat het grootste – maar ook het meest verwaarloosde – deel van het universitaire onderwijs inhoudelijk wordt verrijkt: de bacheloropleiding. Daar dient een nieuw evenwicht te worden gevonden tussen vakgerichte en algemene kennis en vaardigheden. Wie zo’n pleidooi dagdromerij vindt, moet twee kapitale feiten in gedachten houden, feiten die overvloedig door empirisch onderzoek zijn gestaafd en wellicht zelfs causaal samenhangen. Ten eerste dat de doorsnee Nederlandse student de studie doorloopt in de helft van de tijd die ervoor staat, en slaagt; ten tweede dat vele studenten klagen over te weinig uitdaging. Er is dus wel degelijk plaats voor substantiëler en meer inspirerend onderwijs.

Bij het denken over onderzoek spiegelen wij ons graag aan Amerikaanse topuniversiteiten; welnu, laten wij dat dan ook eens doen voor het universitaire onderwijs. Natuurlijk is dat in Amerika gefundeerd in een andere traditie dan het onze: het Angelsaksische liberal arts curriculum huldigt een andere onderwijsfilosofie dan het Duitse, meer vakgerichte model waaraan het Nederlandse systeem schatplichtig is. Maar laten we deze verschillen niet uitvergroten. Ook de Amerikaanse universiteiten brengen hun studenten naar een baan in een hoogst competitieve, materialistische samenleving. En toch proberen zij trouw te blijven aan de missie om hun studenten te vormen tot ontwikkelde mensen en verantwoordelijk burgerschap. Natuurlijk staan die immateriële leerdoelen ook ginds onder druk, en als het op marktinvloed aankomt, kan Amerika er ook wat van. Maar na een aantal schotschriften onder titels als Academic capitalism en University inc. The corporate corruption of higher education is het besef dat hier een ziel valt te behoeden inmiddels tot het centrum doorgedrongen, getuige alleen al twee recente boeken van bestuurders van Harvard University: Universities in the marketplace van Derek Bok en Excellence without a soul van Harry Lewis.

Zij loodsten Harvard naar een nieuwe ronde van hervormingen die de studies moet behoeden voor verkruimeling in superspecialismen en kortzichtig opportunisme. Men durft daarbij pal te staan voor de betekenis van een gedegen academische opleiding waarin – om met Anthony Grafton van Princeton te spreken – een toekomstige investmentbanker nachten kan doorwerken aan een probleem waarmee hij in zijn leven nooit meer in aanraking zal komen, om jaren later toch nog dankbaar te zijn voor die ervaring. Maar ook is men diep overtuigd van het belang van algemene ontwikkeling, en dat wil zeggen culturele geletterdheid voor bèta’s, kennis van science bij alfa’s en een goed besef van hoe recht en samenleving werken bij eenieder met een academische graad. De zorg hiervoor mag zeker niet alleen worden gedeponeerd op het bordje van de middelbare school (om daarna te klagen dat die het onvoldoende levert); ook de universiteit heeft hier wel degelijk een taak. De bredere blik is essentieel om onze studenten te helpen komen tot wat de president van Cornell University identificeerde als een van de belangrijkste academische leerdoelen van vandaag: wisdom in the age of information.

In het discours over het Nederlandse universitaire onderwijs is dit soort proza letterlijk ongehoord. De sturing daarvan lijkt zich bij ons geheel te hebben verzoend met de universiteit en zelfs de faculteit als federatief verband, waarin afzonderlijke eenheden knokken voor de eigen cijfers, waarbij exercities bij de buren, en al helemaal de overburen, als verlies en vaandelvlucht worden gezien. En als men pech heeft, heeft men er nog een politiek-correcte legitimering voor: docenten zijn nu eenmaal vakdeskundigen, de gewenste bredere vorming moet ieder voor zichzelf kunnen bepalen en die te verweven in een universitair curriculum zou rieken naar bedilzucht. Ik zie het wezenlijk anders: wie zich van zulke verantwoordelijkheden distantieert, heeft aan een onderwijsinstelling eigenlijk niets te zoeken, laat staan te brengen.

Een dergelijke lijn van denken geldt mijns inziens ook voor promovendi en postdocs. Ook daar zou aandacht voor bredere kwalificaties op zijn plaats zijn. Natuurlijk gaat het daar om het gespecialiseerde onderzoek. Maar is het absoluut noodzakelijk dat promovendi zich oppompen tot wetenschappelijke bodybuilders die alleen maar bruikbaar lijken in het krachthonk van het pure onderzoek? Ik ben ervan overtuigd dat onze doctores een geweldige kwaliteitsimpuls kunnen betekenen voor de samenleving. Nederland telt relatief weinig gepromoveerden. Landen als het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Zweden hebben er twee tot vier keer zoveel. Dat zou wel eens kunnen zijn omdat bij ons het doctoraat alleen wordt beleefd als loopplank naar de wetenschap en veel te weinig zichtbaar is als bredere waarde.

Markt en ziel heet deze rede, en zij ging over een spanningsveld. Maar de titel is allerminst als tegenspraak bedoeld; markt en ziel zijn juist als twee-eenheid levensvatbaar. Vereist is dan wel dat we beginnen bij de ziel, en dat houdt in dat wetenschap en universiteit institutie moeten durven zijn en niet alleen organisatie. Dat wil dan zeggen instituut van de verbeelding – maar niet van de arrogantie. Juist vanuit sterk zelfbewustzijn past ons groot verantwoordelijkheidsbesef en intens verkeer met de omgeving. Het komt er dus op neer dat ik onze wereld in engere zin wat minder en in ruimere zin juist wel wat meer marktdenken zou willen toewensen.

Prof.dr. F. van Oostrom is president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Dit is de verkorte versie van de jaarrede ‘Markt en Ziel’ die hij op 21 mei hield.

De volledige tekst van de Jaarrede is te lezen op www.knaw.nl