De stelling van Liesbet van Zoonen: dit kabinet bestrijdt de weerzin tegen de politiek

De honderd dagen van het kabinet zitten er bijna op. Deze week waren de ministers te gast bij de tv-show van Knevel en Van de Brink. Het kabinet komt naar je toe en dat is lovenswaardig, zegt Liesbet van Zoonen tegen Roel Janssen.

De ministers stellen zich op als BN-ers in tv-shows in plaats van als bewindslieden die het land besturen. Vat dit kabinet zijn taak verkeerd op?

„Nee. Dit kabinet geeft gehoor aan de onvrede van burgers die het gevoel hebben dat de politiek er niet voor hen is, maar voor zichzelf. Die onvrede kwam met de opkomst van Fortuyn naar buiten en is nog steeds niet voorbij. Het kabinet probeert het contact met de burgers te herstellen en een gevoel te krijgen wat er in de samenleving leeft. Dat is lovenswaardig.”

Als je wilt doen wat de burgers willen, moet je andere dingen doen dan men van plan is.

„Met mensen praten betekent niet dat je alles doet wat mensen willen. Luisteren en uitvoeren is niet hetzelfde.”

Wat mensen vinden is niet wat Balkenende en Bos beweren, maar wat de SP en de PVV zeggen.

„Dat vind ik getuigen van minachting voor de burger. Er hebben meer mensen op de partijen van dit kabinet gestemd dan op Wilders en Marijnissen. Luisteren naar mensen betekent niet dat je een populistische koers moet voeren. Misschien begrijp je juist beter waarom mensen op de PVV of SP hebben gestemd.”

Een politieke partij maakt een verkiezingsprogramma, werft stemmen en probeert in de formatie zoveel mogelijk van zijn doelstellingen binnen te halen. Dan gaat men in het kabinet zitten om het regeerakkoord uit te voeren. Dit kabinet zet de boel op de kop: er is een regeerakkoord, maar men doet drie maanden niets.

„De Nederlandse politiek staat al vier, vijf jaar op zijn kop. Bij de laatste verkiezingen was er een leegstroom van het midden, kiezers gingen naar links en naar rechts. Toen het kabinet aantrad, was er weinig steun voor deze coalitie waarin twee verliezende partijen zitten. Dan vind ik het terecht dat je eerst het land ingaat om een dialoog te voeren en draagvlak te creëren.”

Ook al is dit kabinet een huwelijk uit noodzaak, je gaat toch niet achteraf naar draagvlak zoeken?

„Ik vind het verstandig. De politiek is zo chaotisch, dat je over vier jaar misschien een andere oplossing moet vinden. Maar dit is een creatieve, experimentele manier.”

In andere landen zeggen politici aan het begin van hun mandaat: de eerste honderd dagen nemen we iedere dag een maatregel. Dit kabinet zegt: we gaan honderd dagen praten en we verschijnen niet in de Kamer, maar in een televisieshow.

„Ik vind dat cynisme en die afstandelijkheid niet terecht. Dat is aartsconservatief.”

Maar als ministers aantreden, horen ze te weten wat ze moeten doen: ze moeten een begroting maken, ze moeten de files bestrijden, ze moeten het Europese verdrag uitonderhandelen, et cetera. De onderwerpen zijn helder. Dus net als Sarkozy in Frankrijk: vanaf dag één aan de slag!

„Het werkt niet om om keihard je zin door te drukken. Dat is precies wat Balkenende II werd verweten. Dat kabinet luisterde naar niemand. Het duwde de bevolking een neoconservatieve agenda door de strop. Nu zie je dat Nederland ernstig verdeeld is. Dan is het niet gek om te zeggen: ‘we gaan het samen proberen’.”

Is dit christen-democratisch denken of de voorliefde voor het koffiehuis van Bos?

„Het is beide. De PvdA heeft een lange traditie van christen-socialisme, de richting van dominee Banning. Het motto ‘samen’ past goed bij dit kabinet. En daarbij past ook dat je het land in gaat.”

Marijnissen zegt: de SP gaat al jaren permanent het land in.

„Dat is toch niet erg? Dan mag je dat toch ook wel doen!”

En de VVD, GroenLinks en D66 zeggen: jullie trekken het land in en ondertussen wordt het land niet geregeerd.

„Dat is niet waar. Er worden wel degelijk maatregelen genomen. Ik noem maar wat: de aankoop van kruisraketten is geschrapt.”

Ondertussen werkt het kabinet achter de schermen aan het Beleidsplan en stelt de minister van Financiën met zijn ambtenaren de Voorjaarsnota op. Daar lekt niets van uit en de burgers zijn er niet bij betrokken.

„Je ziet twee bewegingen. Maximale openheid naar burgers en maximale geslotenheid naar de politiek. Dat is nieuw voor de Haagse mores, waarin alles in Den Haag uitlekte, maar de burgers genegeerd werden. Nu weten de burgers iets en weten de politici niets. Het is anders. En de neiging van journalisten is om dit allemaal niets te vinden.”

Geen wonder. Journalisten vinden dit een pr-show van Balkenende en zijn kabinet. Balkenende heeft zijn spindoctor tot beleidsadviseur op zijn ministerie benoemd.

„Dat gebeurde in Engeland ook en daar zit een zeker gevaar in. Je moet niet ontkennen dat het voor een deel een pr-stunt is. Maar je moet ook niet negeren dat er wat anders aan de hand is. Journalisten reageren alleen maar zuur: pr-stunt? Bleh! Dat is een geneuzel… Je leest in kranten of ziet op tv niets anders. Het cynisme druipt er van af.”

Maar het zijn vaak ook bijeenkomsten waarvan je denkt: waar gáát dit over.

„Als bewindslieden het land in gaan en aan mensen vragen: wat is je grootste zorg? Dan wil jij dat ze over de begroting beginnen en niet over wat ze op dat moment het meeste bezighoudt? En als dat nou toevallig een rupsenplaag is.”

Bewindslieden zijn niet voor het oplossen van een rupsenplaag bij iemand in de straat. Daar moet je de plantsoenendienst of de plaatselijke wethouder voor aanspreken.

„Mij stoort het dedain ten opzichte van de mevrouw die dat als haar eerste zorg noemde. Maar wat doen de media, in dit geval de televisie? Die selecteren één voorbeeld en boren het hele initiatief de grond in. Dat is een gemakzuchtige manier van werken. De toon van die journalisten is: ‘je moet niet naar burgers luisteren want die spreken het politieke discours niet’. Ik stoor me daar bijzonder aan.”

Als politici aan mensen vragen: ‘Wat is je probleem?’ en dan beloven het op te lossen, dan ben je bezig met cliëntelisme, de klassieke vorm van Zuid-Amerikaans populisme.

„Er bestaat ook binnen de sociaal-democratie een traditie van progressief populisme. De paarse kabinetten en Balkenende II waren het andere uiterste. Die kabinetten luisterden helemaal niet naar de burgers. Je moet een balans zien te vinden en ik vind het te prijzen dat het kabinet daarin experimenteert. Journalisten moeten niet voortdurend beweren: het parlement wordt buiten spel gezet, het is een reclamestunt en de burgers kunnen het niet aan.”

Het parlement wórdt buiten spel gezet. Er gebeurt al drie maanden niets in de Kamer en dinsdag, bij Verantwoordingsdag, kwam Balkenende niet opdagen.

„Dat laatste is slecht. Maar de parlementariërs van de oppositie zitten toch niet met kettingen in Den Haag vast? Ze hadden heel goed mee het land in kunnen gaan.”

Het kabinet zegt: wacht onze plannen maar af. Die honderd dagen zijn een verlengde formatieperiode.

„Je bent toch een sukkel als je dat als oppositiepoliticus accepteert! Ga met een minister mee naar een probleemwijk. Kijk naar de SP, die gaat ook het land in. De SP hoor je er ook niet over. Dit geluid komt van de VVD, GroenLinks en D66.”

Het pr-element is sterk. Het mediabeleid is gericht op de positieve beeldvorming van het kabinet. Daar mag je arwanend over zijn.

„Het is een element dat er tegenwoordig bij hoort. Het gebeurt bovendien in een context waarin het wantrouwen jegens de politiek groot is. De Nederlandse media zijn altijd maar bezig om politici af te zeiken. Met als gevolg dat het politieke ambt wordt afgebrand. Dus ik kan me voorstellen dat het kabinet zegt: we hebben een tegengeluid nodig.”

Met het gevaar dat het een propagandamachine wordt.

„Ik vind het belangrijk dat je als kabinet en als Kamer bedenkt: wat kunnen we er tegen doen dat er zo’n weerzin tegen het politieke bedrijf bestaat.”

Los je dat op door als kabinet de mediaregie naar je toe te trekken?

„Wel door als politici direct in contact met burgers te treden. En door de traditionele journalistiek te omzeilen. Dat wordt in de journalistiek bekritiseerd omdat dan geen kritische vragen kunnen worden gesteld. Maar die zogenaamd kritische vragen zijn alleen maar gezeur. Ik zeg tegen die journalisten: doe eens meer je best. Heb eens meer ambitie. Met uitzondering trouwens voor Het Financieele Dagblad en het AD.”

De strategie wordt nu gestuurd door de spindoctors en is volledig op televisie georiënteerd. De bewindslieden komen niet bij een krant voor een rondetafelgesprek, maar ze gaan naar een talkshow.

„Kranten zijn belangrijke agendazetters voor de televisie.”

Het kabinet denkt alleen maar in beeldvorming. Het medium is hun boodschap.

„Denk je dat politici het geduld hebben om honderd dagen naar mensen te luisteren als het alleen maar voor de show is?”

Denkt u dat we de resultaten van de honderd dagen in het land zullen terugzien in het beleid?

„Ik weet niet of het zich meteen in beleid moet vertalen. Dat is ook zo’n journalistieke fout! Alsof je morgen resultaat moet zien.”

Een kabinet is aangesteld om resultaten te boeken.

„Ik hoop dat zich vertaalt in concrete oplossingen, waarvoor je niet direct nieuw beleid nodig hebt. En dat het helpt tegen het cynisme. Het is van belang dat ze het niet bij een eenmalige gebeurtenis laten. De beeldvorming van ‘het kabinet komt naar je toe’ moet een vast element van het kabinetsbeleid zijn. Je moet één of zelfs twee keer per jaar laat zien: wij staan in de samenleving. We gaan samen als kabinet de samenleving in. Dat vind ik mooi.”