De inspecteur komt: poetsen!

Martine Zuidweg

Melanie Ehren over de Onderwijsinspectie: “De politiek heeft geen duidelijke keuze gemaakt of toezicht is bedoeld voor verbetering van scholen, of alleen om de onderwijskwaliteit in beeld te brengen. En dan zie je dat in de praktijk individuele voorkeuren van inspecteurs een rol gaan spelen.” foto Dirk-Jan Visser (Foto: Dirk-Jan Visser / Rotterdam: 23-05-2007) Onderwijskundige Melanie Ehren Visser, Dirk-Jan

Onderwijskundige Melanie Ehren deed promotieonderzoek aan de Universiteit Twente naar de effecten van het werk van de Onderwijsinspectie. En verbaasde zich.

Je hebt alle 65 inspecteurs van het basisonderwijs vragenlijsten voorgelegd. Je liep ook mee tijdens schoolbezoeken. Wat viel je daarbij op?

“Wat ik heel erg opvallend vond, is dat inspecteurs allerlei tactieken inzetten om de school maar in beweging te krijgen. Tactieken die helemaal niets meer te maken hebben met toezicht houden. Bijvoorbeeld met de schooldirecteur de onderhandeling aangaan over de beoordeling in het inspectierapport. Zo van: ‘Als we nou met elkaar afspreken dat je dat en dat gaat verbeteren, dan geef ik je daar nu vast een voldoende voor’. Of: ‘Als je mijn conclusie niet overneemt, ga ik met je schoolbestuur in gesprek’.”

En de scholen?

“Scholen zijn ontzettend bezig zichzelf op te poetsen voor het toezicht. Dat gaat ver, zelfs tot het inhuren van een conciërge toe, op de dagen dat de inspectie op bezoek komt. Mensen in de school gaan ook opeens allerlei dingen op papier zetten om te zorgen dat het er allemaal goed uitziet als de inspecteur komt. Terwijl het toezicht eigenlijk bedoeld is om de stand op te maken. Het is nooit de bedoeling geweest om een grote last bij de scholen neer te leggen. Je kunt je ook afvragen of de inspecteur nog wel een betrouwbaar beeld krijgt als hij allemaal stukken krijgt voorgeschoteld die een maand van tevoren in elkaar zijn gedraaid.”

Hebben inspecteurs eigenlijk wel invloed op de onderwijskwaliteit van scholen?

“Het hangt sterk af van de gedragsstijl van de individuele inspecteur. Een inspecteur die sturend optreedt binnen de school, die veel feedback geeft, meedenkt over verbeteringen, duidelijke afspraken maakt, die weet er vaak wel voor te zorgen dat de school met verbeteringen aan de slag gaat. Maar je hebt ook inspecteurs die heel terughoudend zijn, een beetje zwijgend door de school lopen, alleen maar informatie geven en het daar verder bij laten. Uit de casestudies die ik heb gedaan blijkt dat hun invloed gering is.”

Het is dus maar net wie je op bezoek krijgt.

“Ja. Het probleem is dat de politiek nooit de knoop heeft doorgehakt over wat we met het toezicht willen. Bij de presentatie van het jaarverslag van de inspectie, vorige week, was de conclusie dat er nog veel problemen zijn. En dan wordt er meteen gezegd: de inspectie moet erop af, we moeten interveniëren! Maar op het moment dat scholen het goed doen, wordt weer snel geroepen: handen af van het onderwijs! Er wordt geen duidelijke keuze gemaakt of toezicht is bedoeld voor verbetering van scholen of alleen om de onderwijskwaliteit in beeld te brengen. En dan zie je dat in de praktijk individuele voorkeuren van inspecteurs een rol gaan spelen. De ene inspecteur vindt dat scholen autonoom moeten zijn, de andere ziet meer in een strakke leiding.”

Je schrijft dat geen enkele inspecteur na het bezoek nog contact had met de scholen over door te voeren verbeteringen. Waarom niet?

“In de praktijk ontbreekt vaak gewoonweg de tijd om dat te doen. Na een jaar vindt meestal wel opnieuw een onderzoek plaats, maar dat gaat dan niet over het verbeterplan, dan wordt opnieuw de stand op gemaakt. Jammer natuurlijk. Want als je met je toezicht streeft naar verbetering van de onderwijskwaliteit, dan zou je na afloop juist wel contact moeten houden. Dat wordt met zeer zwakke scholen wel gedaan, maar het zou goed zijn om dat ook te doen bij middelmatige scholen. Die hebben ook nog een slag te maken.”

De trend is nu om scholen zelf verantwoordelijk te maken voor de evaluatie van hun kwaliteit. Een goede zaak?

“De bedoeling is dat scholen een zelfevaluatie maken en die opsturen naar de inspectie. De inspecteur komt alleen nog langs bij de scholen die het echt bont maken. Dat betekent dat de middenmoot, zo’n 80 procent van de scholen, straks alleen nog een bureauonderzoek krijgt. Dan leg je wel een grote bureaucratische last bij de scholen, maar ze krijgen er weinig voor terug. Basisscholen stellen het bezoek van een inspecteur namelijk vaak wel op prijs. Het biedt ze de mogelijkheid om in gesprek met de inspecteur na te denken over verbeteringen, om daar advies over te vragen. De inspecteur fungeert als een soort extern deskundige. Als die straks niet meer langskomt, laat je kansen liggen om die grote middengroep aan basisscholen omhoog te krikken.”