Dansen en huppelen als een veredelde boksles

Jongens en vooral meisjes worden in snel tempo dikker. Bij gebrek aan gymlessen werken Haagse clubs en scholen samen om de jeugd meer te laten bewegen. ‘Nog maar weinig kinderen kunnen in de gymzaal lekker zwaaien en klimmen.’

In een zaaltje van een klein sportcomplex in de Haagse Schilderswijk hupsen drie meisjes van een jaar of zes op en neer op top-40-muziek die uit een radio schalt. Ze hebben boksles van trainer Yama Ahmadi. Hoewel, boksles is een groot woord. „Een klein beetje stootbewegingen maken, dat is het wel”, zegt Ahmadi. De rest van de les bestaat uit dansen, huppelen, springen en een paar spelletjes om de concentratie te kunnen vasthouden.

Twee van de drie meisjes bewegen vrij natuurlijk. De derde zesjarige heeft duidelijk meer moeite met de bewegingen. Haar roze trainingspak zit strak over haar buik gespannen. Iets te strak. Ze is te zwaar. Fors te zwaar.

Vorig jaar bleek uit onderzoek van TNO Kwaliteit van Leven en het VU medisch centrum in Amsterdam dat steeds meer kinderen, op steeds jongere leeftijd, te zwaar zijn. De onderzoekers constateerden dat vooral meisjes in razend tempo dikker worden. Zo was in 1980 één op de vijftien meisjes van negen te dik, in 1997 één op de zeven en in 2004 al een op de vijf.

Dat kinderen dikker worden, zien ook de gymleraren. Secretaris Baukje Zandstra van de Koninklijke Vereniging van Leraren Lichamelijke Opvoeding (KVLO): „Ze bewegen moeilijker, dat zie je. Leraren moeten er in de les rekening mee houden dat dikkere kinderen niet alles meer kunnen. Ze houden het minder lang vol.” Van nature, zegt Zandstra, zijn kinderen gewend te bewegen. „Maar er zijn nog maar weinig kinderen die in de gymzaal lekker kunnen zwaaien en klimmen.’’

Het bokszaaltje in de Schilderswijk maakt deel uit van de Haagse Sporttuin, een samenwerkingsproject van zeven basisscholen uit de buurt, waar vrijwel alleen mensen met een buitenlandse achtergrond wonen. Achter het schoolplein van een van die scholen, ingesloten tussen huizen met schotelantennes, hebben zij met subsidies enkele multifunctionele sportveldjes aangelegd. Leerlingen van de zeven basisscholen mogen na schooltijd komen sporten, voor vijftig cent per keer.

Volgens een afgepast schema kunnen de kinderen zich per leeftijdsgroep op de velden begeven om een sport naar keuze te beoefenen. De keuze is groot: basketbal, tennis, voetbal, skaten, klimmen, volleybal, korfbal, hockey, boksen, turnen en atletiek. De scholen werken bij elke sport samen met een Haagse sportvereniging die gespecialiseerde trainers levert.

Vlak buiten de beschermde omgeving van het sportcomplex ligt een geasfalteerd voetbalveldje met twee ijzeren kooien die als doelen dienen. Deze vrijdagmiddag vertonen enkele jongens van een jaar of veertien hun kunsten. Meisjes zijn er niet. Binnen het sportcomplex – maar nog wel in de openlucht – rennen ook meisjes achter ballen aan. Heel veel meisjes zouden zonder de Haagse Sporttuin niet voetballen, vertelt gymleraar Arthur van Dijk, betrokken bij het initiatief. „Veel van deze allochtone meisjes zouden waarschijnlijk niet eens mogen van hun ouders. En op het openbare voetbalveld komen de meisjes en de jongere jongens er niet tussen. Daar geldt het recht van de sterkste.’’

Een van de doelstellingen van de Haagse Sporttuin is dat kinderen naar sportverenigingen zullen gaan. Hoewel de Sporttuin redelijk succesvol is, vertelt initiatiefnemer George van Hurck, is die doorstroom nog niet naar wens. „Slechts enkele kinderen hebben de stap naar een sportvereniging gezet. Vaak zijn de ouders het probleem: ze zijn niet bekend met de cultuur in Nederland dat een kind op een sportvereniging gaat, en ze willen er niet voor betalen.”

Dat dilemma probeert Van Hurck onder meer te ondervangen door ook ouders te laten sporten. Terwijl hun kinderen buiten basketballen of rennen, zijn de moeders binnen bezig – van buitenaf niet zichtbaar.

De Haagse Sporttuin – een samentrekking van sportveld en speeltuin – biedt een aanvulling op de gymlessen op school. Op Nederlandse basisscholen krijgen kinderen twee keer per week een uurtje bewegingsonderwijs. Kleuters bewegen dagelijks op school. Schoolzwemmen is niet verplicht – het ligt er maar net aan of de gemeente dat financiert. Ook in het voortgezet onderwijs is de situatie ook zorgelijk, zegt Baukje Zandstra van de KVLO. Veertien jaar is een beruchte leeftijd waarop jongeren afhaken met sporten. De gymlessen zijn nog verplicht, maar dat scheelde niet veel. De Tweede Kamer heeft kunnen verijdelen dat scholen voortaan helemaal zelf mogen weten hoeveel uren gym ze geven, zoals oud-onderwijsminister Van der Hoeven wilde. Toch beknibbelen scholen hier en daar op de gymlessen, constateert de KVLO. Zandstra: „Gym zou net zo belangrijk moeten zijn als taal en rekenen. Maar als scholen van die vakken een uurtje zouden afpakken, zou de wereld te klein zijn.”

De politiek is zich wel bewust van de noodzaak dat kinderen bewegen. Sinds kort is er de Alliantie School & Sport, een samenwerkingsverband tussen de ministeries van Onderwijs en Volksgezondheid en sportkoepel NOC*NSF. Tot 2010 worden miljoenen uitgetrokken om alle kinderen uiteindelijk een dagelijks aanbod van bewegen en sport te bieden. De Haagse Sporttuin is een voorbeeld van hoe het zou moeten: samenwerkende scholen en sportverenigingen, sport en bewegen na schooltijd. Dat streven past binnen brede scholen: leslokalen, kinderopvang en sportfaciliteiten in één. Ook zijn er sportaccentscholen, waar leerlingen extra sportaanbod krijgen, en scholen voor jeugdige topsporters, op initiatief van het Landelijk Overleg Onderwijs en Topsport (LOOT).

De Haagse Sporttuin is vooral opvoedend bedoeld, als verlengstuk van thuis. Dat daarmee tegelijkertijd iets wordt ondernomen tegen te dikke kinderen, is mooi meegenomen. George van Hurck: „Veel van deze kinderen denken dat het slecht is om moe te worden, dan stoppen ze. Wij leren hun dat je dan juist nog even moet doorgaan, dat dat goed voor je is.”

De elfjarige Tanisha heeft het helemaal te pakken. Met een brede lach kruipt ze, conform de orders van de atletiektrainster, onder een laaggespannen touw door. Ook zij zit niet op een sportvereniging, evenmin als de meeste van de ongeveer 380 kinderen die in de Haagse Sporttuin komen sporten. Bij het voetbalveldje buiten het complex werd ze gepest door de aanwezige jongens. Ze mocht er zelfs niet meer komen van haar ouders.

Nu heeft de Sporttuin haar enthousiast gemaakt. Misschien gaat ze wel op tennis, vertelt ze. „En ook op atletiek.”