Beetje eng, vindt ook de advocaat

Wie staat er voor de rechter en waarom? Vandaag een directiesecretaresse die, toen ze nog werkloos was, minister De Geus heeft bedreigd.

Het lijkt een alledaagse zaak te worden bij de rechtbank in Den Haag. Bedreiging (‘je kop wordt afgesneden’), poging tot afpersing (‘nu 10.000 euro op mijn rekening anders vermoord ik je’) en een valse bommelding (‘over 55 minuten gaat-ie af’). Goed, misschien niet alledaags, maar toch wel een wekelijks verschijnsel voor een politierechter.

Maar dan komt de verdachte binnen. Ze heeft een zwart mantelpakje aan, zwarte pumps, haar haar is losjes opgestoken. Lina H. is 41 en mooi. Ja, ze heeft begin dit jaar geprobeerd minister Aart Jan de Geus van Sociale Zaken af te persen. Ze heeft zijn secretaresse bedreigd. En nu wil rechter Van der Nat graag weten waarom.

Lina H. slaat haar benen over elkaar en zegt: „Ik heb het gedaan uit frustratie en onmacht.” Drie jaar lang probeerde ze een uitkering te krijgen. „Als je zo lang geen geld hebt, maar wel aanmaningen krijgt en je wordt je huis uitgezet, dan word je een keer goed boos.” Rechter Van der Nat zegt dat hij dat best wil aannemen. Maar wat hij niet begrijpt is de „enorme stapel” andere berichten die ze ook stuurde. E-mails, ansichtkaarten, sms’jes.

Hij neemt een willekeurige ansichtkaart: ‘Na een gezellige wandeling door het Maastrichtse...’ En onderaan: ‘Dikke kus’.

– Kent u de minister? Lina: Nee.

– Waarom stuurt u hem dan een kaart? Lina: Je mag toch wel een kaart sturen naar iemand die je aardig vindt?

– Maar u kent hem toch niet? Lina: Dan mag ik hem toch nog wel aardig vinden?

De volgende kaart. Die begint met: ‘Ha lief, daar ben ik weer.’

– Schrikt u daarvan? Lina: Nee.

– Doet u dat bij iedereen? Lina: Ja, je kunt toch iedereen liefhebben?

– Was u soms in de war in die periode? Lina: Nee.

De rechter probeert het nog eens. Een e-mail: ‘Geusje, je hebt een lekker neusje, mag ik er even in bijten.’

– Schaamt u zich nu? Lina: Nee hoor. Het waren gewoon „spontane reacties”.

– Bent u soms geobsedeerd door de minister? Lina haalt haar schouders op.

– Dus u heeft alles gedaan bij volle bewustzijn? Stilte.

De officier van justitie zegt dat hij lang heeft nagedacht over mevrouw. De bedreiging, de afpersing, een afgelegde bekentenis, dat is het makkelijke gedeelte. Maar „wat moeten we met mevrouw?” Ze heeft een keer met de reclassering gesproken. De psychiater heeft nooit een afspraak met haar kunnen maken. Inmiddels heeft Lina H. weer een huis, in het zuiden van het land. En, sinds twee weken een baan. Als directiesecretaresse bij een groot bedrijf. Het lijkt goed met haar te gaan. Maar wat, zegt de officier, als mevrouw wéér boos wordt? Gaat ze dan weer van die merkwaardige, ‘stalkerige’ briefjes sturen? Ze heeft al zes weken in voorarrest gezeten. Weer een gevangenisstraf lijkt de officier niet handig. Dan komt ze zeker in een „negatieve spiraal”. Hij eist een „forse” werkstraf: 200 uur en zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar.

Haar advocaat snapt ook niet hoe het kan. „Ze begint met een keurig correct bezwaarschrift, dan worden de brieven dwingender, dan komen de rare berichten.” Hij denkt dat het haar aard is. „Ik krijg ook wel eens mailtjes van haar.” Haastig: „Nee, nee, ik word niet gestalkt.” Het is meer de sarcastische, ironische ondertoon. „Best wel een beetje eng.” Hij pleit voor een „pondje minder” werkstraf. Ze mag haar baan niet kwijtraken.

Rechter Van der Nat vindt bedreiging van een bewindspersoon „heel ernstig”. Zeker nu het mensen met een hoog ambt steeds vaker overkomt. Hij zou, zegt hij, best rekening willen houden met haar persoon. Als hij tenminste had begrepen wat haar mankeerde. Met zes weken cel is ze er nog genadig afgekomen, vindt hij. Hij gaat mee met de eis van de officier.

De twee mannen die achterin de rechtszaal zaten, lopen achter Lina H. aan naar buiten. Ze zijn van de beveiliging van het ministerie van Sociale Zaken. „We hebben haar een keer uitgenodigd om te praten.” Toen leek ze normaal. „We hoopten dat ze een keer echt iets erg zou doen. Dan konden we haar aanpakken.” Gelukkig kwam toen de bommelding.