Barry en Lientje

„Barry zegt nooit iets terug en toch kletsen we heel wat af.” In de wachtkamer van de dierenarts.

Poes Lientje Foto Frank Houtappels Houtappels, Frank

‘Uw poes ziet er wel een beetje zielig uit !” Het is vanmiddag niet zo druk bij de dierenarts. Mijn poes Lientje zit heftig grommend in een bench op mijn schoot. „Komt het nog wel goed met haar?” Tegenover me zit een oude vrouw met een oude hond. Zijn poot is gespalkt en hij kijkt zijn baasje amechtig aan. „Barry is bijna weer de oude hoor! Hij is van het balkon gevallen toen ik even niet oplette!” Tweehoog woont mevrouw en binnen vijf minuten ben ik helemaal bijgepraat over de dood van haar man, de allergieën van hond Barry en de mooie avonden die ze samen doorbrengen voor de tv. „Hij zegt nooit iets terug en toch kletsen we heel wat af. Wij begrijpen elkaar.” Poes Lientje kijkt haar droevig aan. „Het is moeilijk, hè, met poezen, om te weten wat ze precies bedoelen. Ze hebben ook niet zoveel hersens. Honden geven veel meer terug, denk ik dan.”

Een paar maanden geleden vond ik mijn poes Lientje – nadat ze een dag zoek was geweest – zwaar gewond bij de voordeur van de buren. Koud, stijf en een enorm grote open wond op haar buik. Gegrepen door een hond, of door een auto. Ik maakte twee weken lang een rondgang langs verschillende dierenartsen die geprobeerd hebben haar op allerlei manieren dicht te naaien maar een groot gedeelte van de huid op haar buik was er simpelweg niet meer en de wond sprong steeds weer open. De dierenarts bij wie ik nu al een maand of twee over de vloer kom is gespecialiseerd in zware gevallen. „We zijn levensreddend bezig, maar ze mag natuurlijk geen kasplantje worden. Ik beloof niks!” De wachtkamer is versierd met beeldjes en tekeningen voor de medische staf. Dankbare én creatieve dierenbezitters. Misschien verwachten ze van mij ook wel iets als Lientje ooit weer helemaal de oude is.

„Bent u ook zo geschrokken van die boze aap?” Barry’s baasje heeft nog niet genoeg van het gesprek. „Wist u dat apen eigenlijk helemaal niet van water houden en toch is ie er zomaar overheen gesprongen. Vier meter. Hij had vorige week ook al een poging gewaagd!” Op tv heb ik ook de beelden gezien van de aap en de vrouw die hij aangevallen had. Door langdurig oogcontact dacht ze een innige relatie met de aap te hebben opgebouwd. Haar veelbetekenende blikken hadden de aap uiteindelijk tot razernij gedreven. Wat een mens als een opbloeiende vriendschap ziet, interpreteert een aap blijkbaar anders. Zwaargewond ligt de vrouw nu in het ziekenhuis. „Gelukkig weten Barry en ik precies wat we aan elkaar hebben. Het is toch niet normaal dat je zo lang naar een ááp kijkt? Misschien kwam ze thuis wat tekort.”

Ik aai Lientje over haar kop en ze kijkt me langdurig aan. Hoe lang moet ik nog?, lijkt ze te denken, maar ooit las ik dat poezen helemaal niet kunnen denken. Blijkbaar wil ik dat ze dat denkt. Ik wil ook wel af van dit gesleep met mijn poes. Van een innige band, zoals tussen de aap en de vrouw, is bij ons geen sprake. Een echte dierenvriend ben ik nooit geweest en eigenlijk geloof ik ook helemaal niet dat het haar iets kan schelen wie ik ben. Ik ben gewoon iets wat beweegt met twee handen die bakjes met eten tevoorschijn toveren en diezelfde handen zetten haar straks weer in een heel krappe kooi. Daar woont ze alweer twee maanden in. Met een kapje om haar kop en eten waar de antibiotica makkelijk in verstopt kan worden. „U moet er wel rekening mee houden dat als de buik dicht is, we haar liesbreuk óók nog moeten verhelpen”, vertelde de dokter toen het er naar uitzag dat de poes niet aan haar verwondingen zou bezwijken. Het einde is dus nog niet in zicht. Ook niet van de rekening, trouwens. Die is al opgelopen tot over de vierduizend euro.

„Het ziet er goed uit, hoor. De wond is bijna dicht!” Nadat hij Lientje onderzocht heeft, komt de dierenarts naast me zitten en biedt me koffie aan. Hij neemt de tijd. Een slechtnieuwsgesprek, weet ik onmiddellijk. Hij heeft wat vreemde kwabjes gevonden bij haar milt en wil die graag opsturen naar het lab. „Het kan kwaadaardig zijn. En als je nu niks doet, kan ze later kanker krijgen.” Hij kijkt er ernstig bij. In de wachtkamer valt iedereen stil. „Het onderzoek kost ook weer centjes natuurlijk”, zegt de arts. Ik kijk naar Lientje. Ik zie dat de inhoud van het gesprek háár in ieder geval ontgaan is. Het baasje van Barry zucht diep. „Ik zou het wel weten als de ziekte mijn Barry zou treffen. Samen uit, samen thuis, zeg ik maar.” Ik denk kort na. „Stuur maar niet op”, zeg ik. „Dat zien we dan wel weer.” Laten we eerst maar eens kijken of ze me niet in razernij aanvalt als ze eindelijk uit haar kooi mag.