Amsterdamse praal en karigheid

professoren van de stad. het athenaeum illustre en de universiteit van amsterdam, 1632 – 1960. peter jan knegtmans, amsterdam university press, 2007. 512 pp., ill., isbn 9789053569634, prijs: € 49,50.

Kleurrijke professoren. 375 Jaar portretkunst in de collectie van de Universiteit van Amsterdam. Ellinoor Bergvelt, Peter Jan Knegtmans en Marian Schilder (red.), Amsterdam University Press, 2007. 160 pp., ill., ISBN 9789056294496, prijs: € 24,50.

Tussen de instelling van het hoofdstedelijk Athenaeum Illustre in 1632, en de verheffing ervan tot Universiteit van Amsterdam in 1877, verliep bijna tweeënhalve eeuw. Waarom heeft Amsterdam zijn toen nog enige instelling voor hoger onderwijs niet veel eerder uitgebouwd tot echte universiteit? Waarom nam de stad die zich in de zeventiende eeuw met recht het machtigste, het rijkste en het meest cosmopolitische centrum van de Nederlanden mocht noemen, genoegen met een Illustere School? Daar werd weliswaar hoger onderwijs verzorgd, maar er konden geen academische graden worden verleend – terwijl veel minder betekenende steden als Leiden, Franeker en Groningen wél universiteiten van naam hadden.

Misschien, schrijft P.J. Knegtmans in zijn schitterend uitgegeven ‘Professoren van de stad’, hing de bereidheid van het gemeentebestuur om zo’n kostbare instelling te onderhouden wel minder samen met een gunstige gezindheid jegens de wetenschappen, dan met een typisch hoofdstedelijke koopmansgeest. Misschien was instandhouding van het Athenaeum een prettige vorm van luxe, waarvan de kosten niet te hoog mochten worden. Dat is de rode draad in de geschiedenis van het hoofdstedelijk hoger onderwijs. Ging het de hoofdstad voor de wind, dan was het beste niet goed genoeg. Maar zat het financieel tegen, dan heette datzelfde ‘sieraad van de stad’ al snel een ‘onnoodige, roekeloze en onverantwoordelijke luxe’, en was het een makkelijk doelwit van bezuinigingen. De geschiedenis van het hoger onderwijs in de hoofdstad is daarmee een boeiende, soms verbijsterende aaneenschakeling van geslaagde en minder geslaagde gemeentelijke pogingen hoogleraren van naam en faam aan zich te binden. Zij moesten de Illustere School tot bloei brengen, zodat de luister daarvan weer afstraalde op de stad.

Zevenentwintig van hen zijn te zien in het apart uitgegeven, zeer fraai geïllustreerde ‘Kleurrijke Professoren’. Uit deze selectie schilderijen, glas-in-lood, en borstbeelden – die weer een aardige voorstelling geeft van enkele eeuwen Nederlandse portretkunst – blijkt opnieuw hoezeer de Amsterdamse professoren hun aanwezigheid niet alleen wisten te legitimeren door de zonen van de gegoede burgerij voor te bereiden op hun academische examens, maar ook door als inspiratie- en inkomstenbron voor tal van hoofstedelijke kunstenaars te fungeren.

Desalniettemin was, en bleef onderwijs geven hun belangrijkste taak. De plaats waar ze dat deden, en bijgevolg de betekenis ervan voor de stad, verschoof in de loop der tijd.

In de zeventiende eeuw werden de professoren geacht naast particulier onderwijs ook publieke lessen te geven. Sommigen waren hierin zo goed dat reizigers van heinde en ver er speciaal een omweg voor maakten. Hoger onderwijs, stelt Knegtmans eenvoudig, was toen een belangrijke attractie van de hoofdstad. In de achttiende eeuw verdween dit soort verheven publiek vermaak, en verschenen de hooggeleerden bij voorkeur in de in die tijd in groten getale opgerichte geleerde genootschappen, waar ze experimenten uitvoerden of semi-publieke lezingen verzorgden. En naarmate de specialisering nog verder voortschreed, ontstond de behoefte om de lessen en demonstraties te verzorgen in speciale kabinetten en laboratoria. Niet dat ze daarmee helemaal uit het zicht verdwenen: tot ver in de negentiende eeuw bleven de hoogleraren inzetbaar als deskundige-adviseur bij allerlei maatschappelijke problemen, conform hun sinds 1815 bij wet opgelegde functie als verspreiders van ‘smaak, beschaving en geleerdheid’.

De verwetenschappelijking van de universiteiten, en ook van het Athenaeum, dreef de kosten echter zover op, dat de vraag onontkoombaar werd of het nog wel zin had een instelling in stand te houden, die nog geen tweehonderd studenten telde, en die geen examen- of promotierecht bezat. Een breed gedragen besef echter dat Amsterdam, wilde het zich in aanzien kunnen meten met andere Europese steden, niet kon zonder een nationaal museum, een academie voor beeldende kunsten, een concertgebouw én een universiteit, vormde het decor waarbinnen de omzetting tot gemeentelijke universiteit zich in 1877 kon voltrekken. ‘Amsterdam wilde niet zomaar een universiteit’, stelt Knegtmans, ‘maar een eersterangs universiteit.’ Opnieuw tastte de gemeente diep in de buidel om de meest veelbelovende geleerden aan zich te binden. Met succes – want onder hen bevonden zich mannen van wereldformaat.

Uiteindelijk bleek de prijs te hoog. Na de Tweede Wereldoorlog trok het rijk zulke grote sommen geld uit voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, dat de gemeentelijke universiteit snel achter dreigde te raken. Om die achterstand in te halen, waren investeringen nodig, die ook de gemeente boven het hoofd groeiden. Na uitvoerige onderhandelingen beloofde het rijk in 1960 tenslotte 95 procent van de kosten van de gemeente-universiteit op zich te nemen. ‘De prijs van al dit moois’, schrijft Knegtmans, ‘was dat de stad het benoemingsrecht van haar hoogleraren en lectoren verloor.’ Met een zucht van verlichting troostte de gemeente zich evenwel met de gedachte dat haar universiteit nu een mooie toekomst tegemoet kon zien.

Patricia Faasse