Afghaanse studenten weten dat alleen hoop helpt

Praat met jonge Afghanen en zie: ze hebben zelfspot en hoop. „Eén Afghaan is okee”, zegt Nawid, een twintigjarige medicijnenstudent aan de Universiteit van Kabul. „Heb je er twee bij elkaar, dan beginnen ze over politiek te praten. Zijn het er meer, dan heb je binnen de kortste keren geheid een vechtpartij.”

Nawids ogen lachen. Met twee andere studenten zit hij aan een tafel in de kantine van de medicijnenfaculteit. Zijn tafelgenoten knikken grijnzend. Maar dan wordt de toon van Nawid serieus. Hij zegt: „Het probleem van Afghanistan is dat de mensen niet tolerant zijn ten opzichte van elkaar, vooral wanneer het leden van andere etniciteiten betreft. We moeten Afghanistan zien als het land van ons allemaal.”

De stem van de Afghaanse zangeres Zarsanga schalt door de cafetaria. Op een enorm televisiescherm is haar videoclip te zien. Ze zingt: „Je denkt dat je hier leeft als een koning, maar weg van huis is iedereen een bedelaar.”

Ook de 26-jarige Nawid, een Tadzjiek, is ver weg van huis. Oorspronkelijk is hij afkomstig uit Takhar, de noordelijke provincie die tegen Oezbekistan aanligt. Links van hem zit Abdul Wahab, een Hazara, afkomstig uit Parwan, bij Kabul. En rechts zit Abdul Shokat, wiens familie in Ghor woont, in het westen. Shokat is eveneens een Tadzjiek.

„We vertegenwoordigen misschien niet de etnische mix van Afghanistan, maar dat is toeval, dat komt omdat in Kabul veel studenten uit omliggende provincies studeren”, zegt Shokat.

Dat is ook af te lezen aan de kledij van de aanwezige studenten in de kantine. De Pasthun uit het zuiden van het land, vaak herkenbaar aan de traditionele shalwar kameez, is duidelijk in de minderheid. Spijkerbroeken, sportschoenen, T-shirts en Motorola- en Nokiatelefoontjes domineren in de eetzaal. Studentes lopen op hoge hakken, lipstick kleurt hun monden, sjaals hangen losjes als hoofddoeken over hun hoofden. Ze zijn oranje, rood, blauw, geel, roze, paars, soms met bloemetjesmotief of strepen. In groepjes zitten ze bij elkaar, rond de rode plastic tafeltjes met Coca-Colalogo en vazen met plastic bloemen. Op gepaste afstand van hun mannelijke collega’s. Buiten de kantine hangt een groot oranje bord, over de volle breedte van het gebouw, met afbeeldingen van hamburgers en hotdogs.

De harde en vaak sombere realiteit van Afghanistan zou je bijna vergeten in deze kantine met al die ambitieuze medicijnenstudenten. Zij drijven op hoop op een betere toekomst. In hun perceptie is Afghanistan een gewoon land. Je maakt plannen voor de toekomst, gaat met je ouders op zoek naar een huwelijkspartner, denkt na over een carrière. „Zo móet je wel denken. Als je gaat zitten somberen, waartoe overigens alle reden is, dan red je het niet. Dan ga je kapot”, zegt Shokat.

Dat betekent niet dat deze studenten hun ogen gesloten houden voor de wereld buiten de universiteit. Het is zoals Nawid eerder grappend zei: zet twee Afghanen bij elkaar en ze praten over politiek. Natuurlijk maken ze zich ook zorgen over de opkomst of de terugkeer van de Talibaan.

Toen de troepen van Verenigde Staten in 2001 Afghanistan binnentrokken, waren de Talibaan binnen een paar dagen verslagen. Waarom slagen ze er nu niet in om de Talibaan te stoppen, te marginaliseren; de drie jongemannen begrijpen het niet. Of misschien ook wel.

Er schieten allerlei samenzweringstheorieën over de tafel. Eentje daarvan is dat de VS er baat bij hebben dat het onrustig blijft in Afghanistan. Want als het hier te snel rustig wordt, dan hebben de Amerikanen geen reden meer om in Afghanistan te blijven. Abdul Wahab zegt: „De VS kunnen zo vanuit ons land druk uitoefenen op buurland Iran. Je ziet de spanning tussen Iran en de VS alleen maar oplopen.”

Een andere verklaring, die vooral in het conservatievere zuiden van het land weerklank vindt, is dat de VS bezig zijn met een oorlog tegen de islam. In Irak, in Afghanistan en in de toekomst misschien wel in Iran. De drie medicijnenstudenten willen zo ver niet gaan. Shokat zegt: „Pakistan, Iran, Rusland en de VS, al die landen hebben hun eigen redenen om te voorkomen dat Afghanistan een stabiel land wordt. Wat onze regering moet doen, is de Talibaan aan de onderhandelingstafel uitnodigen en vredesbesprekingen beginnen. Dan pas kan ons land echt verder.”