Winnen in Afghanistan

Vreemd genoeg klinkt het nooit echt bemoedigend als iemand zegt dat we nog kunnen winnen in Afghanistan. Deze week was het de voormalige NAVO-bevelhebber in Afghanistan, de Amerikaanse generaal David Richards, die tijdens een bezoek aan Berlijn de weifelende Duitsers (die bij een zelfmoordaanslag net drie militairen hadden verloren) verzekerde: „De strijd is te winnen.”

Het probleem met dat soort uitspraken is dat onduidelijk blijft hoe je je een overwinning moet voorstellen. Hebben we gewonnen als de regering-Karzai op eigen benen kan staan? Of moeten de Talibaan en Al-Qaeda worden verslagen? Of is het genoeg als ze zich koest houden, of zich niet meer buiten hun uitvalsbases in Pakistan wagen? En op hoeveel jaar moeten we eigenlijk rekenen voor de overwinning binnen bereik komt?

Steeds blijkt dat er over de doelstellingen van de oorlog verwarring bestaat – onder de bondgenoten en ook onder de troepen. Nog altijd is het tegelijk een opbouwmissie en vechtmissie. En nog altijd staan die twee regelmatig op gespannen voet met elkaar. De militaire acties waarbij huizen of landerijen worden verwoest, waarbij onschuldige burgers ontheemd raken of omkomen, ondergraven alle inspanning om steun te winnen van de lokale bevolking.

De Duitse commentator Christoph Bertram werd onlangs opgebeld door een Duitse majoor in Afghanistan, aldus het blad Internationale Politik, met de vraag: we zitten hier met duizend man in Mazar-i-Sharif, en we weten eigenlijk niet waarom we hier zijn. Kunt u niet eens langskomen om het ons uit te leggen?

Aanvankelijk, in 2001, was er geen misverstand mogelijk. Al-Qaeda was verantwoordelijk voor de aanslagen van ‘11 september’ en de Talibaan, die de terroristen gastvrijheid hadden verleend, moesten worden verdreven. Toen dat gelukt was bleek de klus nog niet geklaard: er moest voor een klimaat van veiligheid en politieke stabiliteit worden gezorgd om te voorkomen dat Afghanistan opnieuw een broedplaats van terreur zou worden.

Maar daarvoor is een regering nodig met gezag onder de bevolking en greep op het land. En dáárvoor is weer sociale en economische opbouw onontbeerlijk, training van leger en politie, bestrijding van de hardnekkige corruptie en inperking van de politieke macht van krijgsheren met oorlogsmisdaden op hun geweten.

En tegelijk moeten opnieuw de Talibaan en Al-Qaeda worden bestreden, want die hebben zich opmerkelijk goed weten te herstellen. Maar dáárvoor moet ook hun inkomstenbron, de uitbundig bloeiende drugshandel, worden afgeknepen. En eigenlijk is een stabiel Afghanistan niet denkbaar zolang niets gedaan wordt aan de broedplaats van terreur die buurland Pakistan is geworden.

En zo hangt alles met alles samen, en zijn de NAVO en de VS verwikkeld in de helse klus om een compleet land op poten te zetten, of althans daar de voorwaarden voor te scheppen. Niemand twijfelt eraan dat zoiets een hele lange adem vergt. Heeft de NAVO die? En kan de NAVO zo’n jarenlange verplichting wel aan, als niet alle lidstaten bereid zijn om vergelijkbare inspanningen te leveren en vergelijkbare risico’s te nemen?

Op bezoek bij president Bush, op zijn ranch in Texas, beloofde NAVO-chef De Hoop Scheffer maandag dat hij ervoor zal zorgen dat alle NAVO-landen „de solidariteit zullen tonen waarop het bondgenootschap gebouwd is”. Dat was wat Bush wilde horen. Maar het is ook voor Nederland belangrijk, want straks moet blijken of er wel een bondgenoot te vinden is die de provincie-Uruzgan van de bewoners van Kamp Holland wil overnemen als de afgesproken twee jaar erop zitten.

De Amerikaanse ambassadeur in Den Haag, Roland Arnall, zegt dat hij zich heeft „laten vertellen dat de Nederlanders op een bepaalde manier zouden willen blijven”. Kan zijn. Maar het kabinet ontkent dat hem iets is verteld over de vraag óf, en zo ja hoe, de Nederlandse missie zal worden verlengd. Die vraag ligt nog „geheel open”.

Zonder twijfel zal Nederland onder druk komen staan om langer in Uruzgan te blijven – Arnall nam daarop al een voorschotje. Als Afghanistan een van de frontlinies is in de strijd tegen het terrorisme, dan staat er toch een direct belang op het spel, ook voor Nederland?

Dat valt niet te ontkennen. Maar als argument om verlenging van de missie te rechtvaardigen is dat niet genoeg. Net zomin als de overtuiging dat Afghanistan „het verdient om ontwikkeld en herbouwd te worden” (De Hoop Scheffer).

De vraag waar het om gaat is of de huidige aanpak van de NAVO en de Amerikanen wel effectief is. En als dat niet zo is, of als die aanpak zelfs contraproductief is, dan kunnen we die pijnlijke constatering maar beter onder ogen zien. Want ondanks alle goede bedoelingen, en de grote inzet van de troepen, is er ruim zes jaar na de val van de Talibaan nog maar weinig bereikt. Het geweld houdt aan. De hulpverlening is versnipperd en komt maar moeilijk van de grond. De regering Karzai heeft het beetje gezag dat het in eigen land had, vrijwel verspeeld. Volgens de voormalige Amerikaanse VN-ambassadeur Richard Holbrooke, die onlangs een bezoek bracht aan Afghanistan, gaat van de zwakke positie van Karzai zelfs een groter gevaar uit dan van de Talibaan. Net als de Duitse majoor die Christoph Bertram opbelde, zijn er meer Europeanen die zich afvragen waarom we er vechten en wat we er denken te kunnen bereiken.

Juurd Eijsvoogel is redacteurvan NRC Handelsblad