Waar wij thuis zijn

Amerikanen hebben een sterk ontwikkeld ‘sense of place’: een gevoel voor de persoonlijkheid van een specifieke plek. Wat is ervoor nodig om die begaafdheid te ontwikkelen?

Where we live. Op de diepvriesafdeling van de supermarkt, schuilend bij een bushokje, in gevecht met een ritssluiting. Where we live. Tijdens het stofzuigen, op de bank met de afstandsbediening, met halters zwaaiend op de sportschool. Where we live. Sinds ik ze een paar maanden terug voor het eerst zag staan, op een billboard ergens langs Santa Monica Boulevard, kan ik die drie woorden maar niet uit mijn kop krijgen; blijven ze daarin rondzingen als het refrein van een zomerhit, een bericht-in-code, de eindelijk van een kennis losgekregen naam van een toekomstige geliefde. Een en al belofte, de echo van die woorden, onuitputtelijk bijna.

Where We Live.

Het is de titel van een fototentoonstelling die het afgelopen half jaar te zien was in het J. Paul Getty Museum in Los Angeles, samengesteld uit de privécollectie van Bruce en Nancy Berman, een bekend kunstverzamelaarsechtpaar uit die stad. Meer dan honderdvijftig foto’s uit het oeuvre van in totaal drieëntwintig grootheden uit de hedendaagse Amerikaanse fotografie, met als gemeenschappelijk thema het Amerikaanse landschap en de bonte verzameling mensen en bouwsels en spullen die je daarin aantreft. Van een houten keet midden in het weidse nergens van de Mojave-woestijn en een reeks op bunkers lijkende kerken in Chicago via een benzinepomp langs een verlaten weg in Mississippi en een moeder-met-kind bij een houten hek in een dromerige buitenwijk tot aan een haveloze uitdragerij in de achtertuin van een huis aan de verkeerde kant van het spoor in Baltimore. Kortom, de open plekken die oplichten in het grote ‘democratische bos’ – om een term te gebruiken van William Eggleston, de aristocratische pionier van de kleurenfotografie, wiens werk ook deel uitmaakt van de tentoonstelling. Wat je ziet is een caleidoscoop van de talloze manieren waarop mensen een stempel op hun omgeving proberen te drukken. Het is wankel, zo vergankelijk als de pest, vaak lukraak neergepoot en zonder over de vereiste middelen te beschikken – maar toch, het staat.

Geen artistieke kunstfoto’s, maar foto’s gemaakt in de traditie van wat Walker Evans – de grote man van de foto’s in de klassieker Let Us Now Praise Famous Men uit 1941 – de ‘transcendentale documentaire’ noemde: beelden die haarscherp de diepte van het alledaagse tonen, en die rechtdoen aan het vluchtige, desolate en lyrische karakter van het heden. Poetry in motion. Een herinnering die je als een schaduw over een gezicht kunt zien trekken. Datzelfde gezicht, oplichtend bij een andere, vrolijker herinnering. Een ragebol die oranje kleurt in de ondergaande zon. Een flard muziek vanuit het open raam van een voorbij glijdende auto.

‘Photographs of America’ was de ondertitel van de tentoonstelling in het Getty – volstrekt overbodig eigenlijk, die kwalificatie, want op een of andere manier begrijp je direct dat de ‘We’ uit Where We Live alleen maar op de Amerikanen zelf kan slaan. Niet voor niets zijn ‘We The People’ de eerste woorden uit de preambule van de Amerikaanse grondwet. Amerikanen beschouwen zichzelf als het enige echte volk ter wereld – en de plek waar zij wonen als het enige echte land. Een bij een selfmade volk als de Amerikanen passende vorm van zelfmythologisering die voor buitenstaanders vaak even onuitstaanbaar als aantrekkelijk is, en die tevens de bron vormt voor het sterk ontwikkelde ‘sense of place’ – het diepe besef van de verwevenheid van plek en persoon, zoals je dat ook terugvindt in de Amerikaanse literatuur en muziek.

Ik heb mij er altijd al over verwonderd dat bij het lezen of horen van Amerikaanse verhalen en songs alleen al het noemen van de naam van een stad of streek of straat genoeg is om die plek direct in zijn totaliteit op te roepen, inclusief het aan zekerheid grenzende gevoel hoe het moet zijn om daar te wonen en te leven – en dat terwijl ik meestal in de verste verte niet ook maar in de buurt van die plek bent geweest. Wat zeg ik? En dat terwijl die plek buiten de verbeeldingswereld van de schrijver of zanger vaak niet eens bestaat. Over ‘roots’ gesproken, en over de daarmee samenhangende topologie van emoties. Het is alsof het noemen van een specifieke locatie de ziel direct samenbalt en op scherp zet. Alsof waar je bent net zo belangrijk is – zo niet belangrijker – dan wie je bent. ‘There’s a town in North Ontario...,’ om maar eens de eerste woorden van een song van Neil Young te citeren. Om nog maar te zwijgen van Bob Dylan, die al zijn hele leven op en neer lift langs Highway 61 of Bruce Springsteen, die zijn band zelfs vernoemde naar een straat.

Oef. Sense of place. Nog zo’n uitdrukking waarvan de echo – telkens als ik hem gebruik, mompelend soms, als in gebed, een spirituele gongslag – minutenlang kan blijven natrillen in alles wat ik denk en doe. Zo levensnoodzakelijk voelt datgene wat ermee wordt aangeduid, zo nastrevenswaardig: een tot zesde zintuig ontwikkeld gevoel voor de specifieke eigenschappen en eigenaardigheden van een bepaalde omgeving, voor de persoonlijkheid van een plek en de wijze waarop die plek inwerkt op een persoon – als voedingsbodem, habitat, jachtterrein, valkuil.

Hoe ontwikkel je dat? Door kennis te nemen van de geschiedenis van een plek, de geografie, de verhalen, hoe het is om er vandaan te komen, de psychologie van een plek, de bekken die er getrokken worden, de dieren van de verbeelding die er domicilie houden, hoe er gedanst wordt en gedroomd en begraven. Maar vooral ook door het aftasten van haar vormen, haar trekken, liefst dagelijks: de geaccidenteerdheid van het terrein, de scherpte van het licht, het kleurenpalet van de hemel erboven, het gefluister van huizen en het gemurmel van de mensen, het gerommel onder de grond, het ritme van het komen en gaan van de dingen. En dan zijn er nog de herinneringen die aan zo’n plek vastzitten, zowel persoonlijk als collectief, de eigenschappen die je nodig hebt om het er uit te houden, de halve woorden die je moet kennen om anderen te begrijpen, de ongeschreven wetten, de rituelen. Een ‘sense of place’ behelst, kortom, het bij elkaar houden van alle draadjes die samen het even dunne als stugge weefsel vormen van de werkelijkheid ter plaatse.

Dat vergt tijd, dat vergt aandacht, en die hebben we bijna niet meer, doordat we met dank aan internet en mobiele telefonie en alle andere overbelaste netwerken waarin we verstrikt zijn met ons hoofd zelden nog op één plaats maar liefst overal en nergens tegelijk zijn, opgesplitst en uitgesmeerd in middelmatigheid. En jawel, ‘je plek weten’ heeft er ook van alles mee te maken, met die ‘sense of place’, niet alleen als een vaardigheid ontwikkeld op basis van een gedeelde identificatie met een bepaalde omgeving – zoals die nu in de publieke ruimte is opgeofferd aan het recht van de sterkste en de lawaaierigste – maar ook als een nederige formulering voor wat misschien wel de hoogste vorm van wijsheid is.

En dan nog eens wat. Een goed ontwikkeld ‘sense of place’ zou wel eens van doorslaggevend belang kunnen zijn in de grote strijd die er al sinds enige tijd in de ondergrondse paleizen van de tijdgeest woedt. Na de klassenstrijd en na de vrijetijdsoorlog, de ‘struggle for fun’, en de slag om de publieke ruimte, nu: de ‘struggle for reality’, de strijd om het behoud van het soort weerbarstigheid dat wij nu nog associëren met werkelijkheid. De weerbarstigheid van het hier en nu, van het ene en ongedeelde leven zoals het op je af komt, versus de digitale lotusbloem van bijvoorbeeld zoiets als een virtueel ‘second life’. Zie daarvoor John Cleese als Basil Fawlty, na een ruzie met Sybil, alleen aan zijn bureautje, in gesprek met zichzelf:

‘Zoeff!

‘What was that?’

‘That was you life.’

‘Do I have another?’

‘No.’

Er zit dus niets anders op dan proberen erbij te blijven en tijd te rekken – bijvoorbeeld door, zoals de fotografen van ‘Where We Live’ ieder op hun eigen wijze hebben gedaan, pas op de plaats te maken en daar dingen te laten zien die normaal gesproken onzichtbaar blijven.

Het enige dat daarvoor nodig is, is een kleine herschikking van de zintuigen. Want dat is misschien wel waar het eigenlijk om gaat bij een ‘sense of place’. Niet zozeer een zintuig erbij, als wel een herschikking van de vijf die je al hebt. Je moet als fotograaf niet alleen een goed oog hebben – een oog alleen is te bloot – maar ook een goed oor. Een oor dat in staat is de stilte te horen die deel uitmaakt van elk geluid, hoe luid ook – de stilte die verscholen gaat in het razen van de storm, in het verontwaardigde geroep van duiven, in het kraken van het dak of in het dichtslaan van een autoportier.

En pas wanneer je die stilte hoort, druk je af.