Van de ene islam naar de andere

Khaled Abou El Fadl: The Great Theft. Wrestling Islam from the Extremists. Harper, 310 blz. € 22,50

Wat is het ware gezicht van de islam? Bestaat er wel één, uniforme islam? Of zijn er net zoveel versies van het geloof als er moslims zijn? Een van de oorzaken van de problemen met de islam, zowel tussen moslims onderling als tussen moslims en niet-moslims, is dat moslims zelf geen bevredigend antwoord op deze vragen kunnen geven. Elke moslim zal betogen dat er maar één islam is, maar tegelijkertijd zijn de meningsverschillen zo groot dat de richtingen en stromingen nauwelijks meer te overzien zijn.

De overeenkomst tussen de verschillende verschijningsvormen lijkt te liggen in het feit dat ze zichzelf allemaal legitimeren met een beroep op dezelfde teksten en historische traditie. Maar de islam kent geen centraal gezag en het is dus onmogelijk om de strijd tussen uiteenlopende interpretaties te beslechten. Er kan geen visie van bovenaf worden opgelegd en het interne debat heeft vaak het aanzien van een richtingenstrijd waarin men elkaar met citaten en interpretaties om de oren slaat. De inzet is de hegemonie binnen de islam, het formuleren van een nieuwe ‘orthodoxie’ die in harmonie is met de moderne tijd of met een eeuwige, tijdloze uitleg van de teksten.

De crisis in de islam is het uitgangspunt van het denken van Khaled Abou El Fadl, de belangrijkste Amerikaanse voorvechter van een ‘progressieve islam’, een islam die tolerant en pluriform is en die zich naadloos laat inpassen in het wereldbeeld van de moderniteit. El Fadl heeft moedige, intelligente en controversiële boeken geschreven over onder meer geweld in het islamitische rechtsdenken, de verenigbaarheid van islam en democratie en de noodzaak om nieuwe methoden te ontwikkelen voor de interpretatie van de religieuze teksten.

In zijn boek The Great Theft wil El Fadl voor eens en voor altijd duidelijk maken waar het bij de discussie binnen de islam om gaat: er woedt een strijd op leven en dood tussen wat hij noemt een ‘gematigde’ islam en een extremistische, ‘puriteinse’ islam. Het boek bevat een oproep aan moslims om de uitkomst van deze strijd niet gelaten af te wachten, maar alle krachten te mobiliseren tegen het obscurantisme van de puriteinen. Maar het boek biedt ook een overzicht van de verschillen tussen de beide richtingen en een degelijke onderbouwing van het gematigde standpunt.

Voor El Fadl liggen de wortels van de huidige crisis in de afbrokkeling van het gezag van de traditionele religieuze instituties in de islamitische wereld. De geleidelijke ontmanteling van religieus onderwijs, religieuze rechtspraak en de sociale rol van religie in het algemeen begon in de koloniale periode, maar bereikte een hoogtepunt onder de nationalistische regimes die na de dekolonisatie de macht overnamen en die onder het mom van modernisering de rol van de islam probeerden terug te dringen.

Reveil

Door de invoering van westers recht en onderwijsprogramma’s werd de rol van religieuze geleerden gemarginaliseerd en het mechanisme waarmee traditioneel religieus gezag werd opgebouwd ontwricht. Terwijl vroeger religieus gezag op een vanzelfsprekende manier binnen de samenleving werd gevormd, ontstond nu een vacuüm. Dit werd aanvankelijk opgevuld door 19de- eeuwse verlichte hervormers die de islam wilden verzoenen met de moderniteit en weliswaar voor een religieus reveil pleitten, maar invloeden van buitenaf accepteerden en tekstinterpretaties ter discussie stelden.

Volgens El Fadl was deze periode van ‘verlichting’ van korte duur. De islam werd al snel ‘gekaapt’ door een andere revivalistische stroming die de hegemonie binnen de islam opeiste en die door El Fadl als het grote kwaad in de islam wordt aangeduid: het wahhabisme. De leer van het wahhabisme gaat terug op de hervormingsbeweging van Mohammed ibn Abd al-Wahhaab, die in de 18de eeuw de basis legde van een religieuze staat op het Arabische schiereiland en die nog steeds het ideologische fundament vormt van modern Saoedi-Arabië.

Verstrengeling

Volgens El Fadl schuilt het gevaar van het wahhabisme in de leer zelf, die een intolerant soort geloofszuivering predikt, een letterlijke interpretatie van de teksten en het overboord zetten van de juridische traditie ten gunste van de interpretaties van de eigen leiders. Maar een nog groter gevaar schuilt in de alliantie van de wahhabieten met de Saoedische staat, waardoor het gezagsvacuüm in de islam werd opgevuld met een verstrengeling van religieuze en politieke macht. Het wahhabisme is bij uitstek geschikt om de positie van Saoedi-Arabië als leider van de islamitische wereld te ondersteunen, omdat het zo’n strikte eenheidsleer heeft en zich tegen interpretatie verzet. Met het accepteren van een pluriforme islam zouden de Saoedi’s hun aanspraken op hun unieke leiderschap verliezen.

Dit samengaan van religieuze intolerantie en politieke macht heeft volgens El Fadl de 20ste-eeuwse puriteinen voortgebracht, islamistische bewegingen en jihadisten die met geweld streven naar de vestiging van theocratieën. Deze stromingen doen zonder uitzondering een beroep op de bronteksten en de islamitische traditie, maar volgens El Fadl berust dat op bedrog: zij misbruiken de teksten voor hun eigen politieke belangen.

El Fadl probeert in de hiernavolgende hoofdstukken de scheidslijnen tussen de gematigde en de puriteinse islam in kaart te brengen. Een letterlijke uitleg van de teksten wordt tegenover een interpretatie geplaatst waarin de algemene strekking van de tekst en de historische context niet uit het oog worden verloren; een fixatie op voorschriften en verkettering staat tegenover de plicht om de sharia aan te passen aan de moderne tijd, de oproep tot geweld staat tegenover het streven naar verdraagzaamheid en vreedzaam samenleven, en patriarchale repressie staat tegenover de gelijkwaardigheid van vrouwen.

Volgens El Fadl schuilt het ideaal van de islam niet in een gewelddadige terugkeer naar een imaginaire bloeitijd van de islam, in de tijd van de profeet Mohammed, maar in de manier waarop moslims nu proberen hun geloof als richtsnoer te gebruiken voor een betere toekomst. De islam is niet een model waaraan de mens zich zou moeten aanpassen, onder toezicht van een straffende God, maar een proces waarin de gelovigen de ethische en spirituele aspecten van het geloof moeten verkennen en de uitoefening van hun geloof moeten vervolmaken.

Het boek van El Fadl geeft niet alleen een helder beeld geeft van de demarcatielijnen tussen de meest geprononceerde uitingsvormen van de islam, maar geeft ook dat conventionele apologieën binnen de islam geen soelaas bieden en dat de zelfgenoegzaamheid en de intellectuele luiheid moeten worden afgeschud. Het is volgens El Fadl van levensbelang voor de islam dat er naar radicale herdefiniëringen wordt gezocht, die de problemen niet versluieren, maar juist aan de oppervlakte brengen.

Een probleem met het betoog van El Fadl is dat het toch, zoals zo vaak, blijft steken in het afzetten van een ‘correcte’ manier van denken tegen een ‘incorrecte’ manier, met de bijbehorende citaten en tekstverwijzingen. Het lijkt alsof hij de hoop heeft opgegeven dat de gezagsstructuur van de traditionele islam op een moderne manier zou kunnen herleven. Hoewel in het verval van de religieuze instellingen de oorzaak van de crisis moet worden gezocht, komt Abou El Fadl hier in zijn boek niet op terug en meent hij blijkbaar dat een oplossing niet schuilt in het creëren van nieuwe, gezaghebbende instituties.