Valluik onder het denken

Henk van der Waal: Vreemdgang. Querido, 67 blz. € 16,95

Hoe reageert een man wanneer hij ontdekt dat zijn lief hem hoorns opzet? Vervloekt hij de vrouw, steekt hij zijn hartsvanger in haar minnaar, of gaat hij te gronde aan zelfbeklag? En als hij zijn verwarring van de daken wil schreeuwen, welke taal kiest hij dan?

Vreemdgang, de vierde dichtbundel van Henk van der Waal, formuleert een moeizaam antwoord op de laatste vraag. Moeizaam omdat een reëel antwoord onmogelijk is. Van der Waal is ook geen dichter die helder verslag doet van zijn beleving. In feite is zijn poëzie de beleving zelf. In de eerste vijf afdelingen van Vreemdgang zoekt elk gedicht weer woorden voor de ‘volledige en willoze uitgezonderdheid’ die de lyrische ‘jij’ ervaart.

Die nadrukkelijke keuze voor de tweede persoon als onderwerp kennen we al uit Schuldsanering (2000) en De aantochtster (2003). In Vreemdgang heeft de toeschrijving aan een ‘je’ een verzachtend effect; Van der Waal betrekt de lezer in zijn ervaring, en generaliseert die daarmee. Dat zet zijn verwarring niet op een veilige afstand, maar maakt het wel makkelijker om woorden te geven aan die uitgezonderdheid: ‘die breekt als oude liefde je omhuift terwijl ze zich/ tegelijkertijd behaagt en wellustigt aan een vreemde geur met/ kuiltjes in de wangen, hetgeen je onverbiddelijk terug dwingt/ in je geldingsdrang; niets dat er van haar komt is nog/ bedwelmend zoals vroeger en de kruimels die je toevallen zijn/ schaars en bij de gratie gods: je ophouden in het uitblijven van / haar passie ketent je aan een streven zonder uitzicht.’

In Vreemdgang zijn de eerste zes regels van dit vers over de zetbreedte uitgevuld. Dat schept een blok, dat je als lezer veroveren moet. De tekst moet worden opengebroken. Wat dan zichtbaar wordt is geen helder bericht maar een onderzoek op het snijpunt van taal en bespiegeling. Van meet af aan was Van der Waals poëzie beschouwelijk, en dat is in zijn vierde bundel niet minder geworden. Zijn scholing is daar uiteraard debet aan; hij studeerde filosofie in Amsterdam en aan de Sorbonne. Of dat een geschikte opleiding is voor het dichterschap lijkt twijfelachtig. Van der Waals collega Maarten Doorman omschreef de relatie tussen wijsbegeerte en poëzie ooit treffend als ‘Goede vrienden, slechte buren’. Die typering geldt echter vooral wanneer een filosofisch probleem een poëtische verpakking krijgt of, erger nog, wanneer een dichter hardop aan het denken slaat.

Henk van der Waal doet geen van beide. Zijn gedichten zijn bovenal taalbouwsels; niet het idee, maar de formulering is drijfveer. De dichter verkent daarbij de verste uithoeken van onze woordenschat en syntaxis. Dat maakt zijn poëzie zo rijk als ze is. Er is geen boodschap, er is gedicht na gedicht alleen maar het intense ritueel van woord- en zinstapeling. Bij eerste lezing kun je die op z’n best bedwelmend ondergaan. Bij herlezing ontdek je dat ‘inschouwelijk’ voor deze poëzie misschien een beter etiket is dan beschouwelijk. Van der Waals naar binnen gerichte blik noodt tot meekijken. Inzichtelijk – ook door de bijbehorende foto – in het gedicht ‘au peintre Georg Eisler et à tout le monde’. Of op het randje van hypnose, zoals in het eerste vers van ‘het kroelen van de verweesde engel’:

gelooft toch niemand dat iemand in het

midden

van alles een klok heeft opgehangen

toch voel je de tocht van milde voortgang

langs

de zijden wanden van je binnenkamer

stromen

en waan je je gebonden aan het schurken van

planten en dieren tegen het hen drijvende en

merk je hoe vrijwel alle voorwerpen stukje bij

beetje

uit hun tijdsgewricht zakken, wat je ook

zelf overkomt als je de orderoeper in je hoofd

ontslaat en wegstuurt en je het zich ontrollende

jou openende je binnenste vreemdheid

vullende

in je op laat schuimen:

ja, wie het kroelen van de verweesde engel in

zijn persoonlijke aangelegenheid tekeer laat

gaan, weet niet van zich te zijn en laat zijn

dwaalgast

tijd keren, het valluik onder zijn denken

wegtrekken, een paar extra ogen in zijn

zijpanelen plaatsen

Extra ogen. In zijn vierde bundel bevestigt Van der Waal de constante kracht van zijn uitzonderlijk dichterschap. Zijn vorige bundel kreeg een nominatie voor de VSB Poëzieprijs. Vreemdgang verdient meer dan dat.