Tranen, bloed en gebroken kiezen

Khaled Hosseini: Duizend schitterende zonnen. Vertaald uit het Engels door Wil Hansen. De Bezige Bij, 397 blz. € 19,90, geb. € 24,90

Het tempo waarin de laatste tijd reportages en beschouwingen over Afghanistan verschijnen is nauwelijks bij te houden. Wie Duizend schitterende zonnen van Khaled Hosseini leest, krijgt al die achtergrondinformatie in een keer, verpakt in een goed verhaal.

Meer dan een halve eeuw Afghaanse geschiedenis heeft Hosseini samengebald in zijn tweede roman. De oude rivaliteit tussen stammen als Pashtun, Tajik en Hazara wordt uitgediept. We lezen hoe in 1978 de Democratische Republiek Afghanistan wordt uitgeroepen, we horen over de inval van de sovjets in 1979 en de zegeningen die het communisme in ieder geval met zich meebrengt voor de vrouw en voor het onderwijs. We lijden met Hosseini’s personages onder de wreedheden die er tijdens de burgeroorlog worden begaan, duiken weg tijdens de raketaanvallen en leren de namen van de krijgsheren kennen. We beleven de intocht van de Talibaan in Kabul in 1996 en lezen de wetsteksten van de sharia.

Door krant en televisie zijn we vertrouwd geraakt met de beelden van de vluchtelingenkampen in Peshawar, de Pakistaanse stad aan de grens met Afghanistan. Hosseini vertelt ons hoe je daar terecht komt, wat voor leven daaraan vooraf is gegaan en hoe sommigen erin slagen toch weer te vertrekken. We krijgen een indringend beeld van hoe het is iedere dag in doodsangst te leven, risico te lopen, ten prooi te vallen aan geweld, verreweg het meest gangbare element in het dagelijks leven in Afghanistan. Vooral het leven van vrouwen en dochters wordt bepaald door het geweld dat de uitermate conservatieve man tegen hen gebruikt. Hosseini laat ons voelen hoe het is afgeranseld te worden, opgesloten, verkracht of geëxecuteerd in het beruchte stadion van Kabul. We weten dat er de afgelopen decennia geen sprake was van enige vorm van gezondheidszorg. Hosseini beschrijft wat dat betekent voor kinderen die op een mijn trappen, voor vrouwen die moeten bevallen.

Toch is Duizend schitterende zonnen allesbehalve belerend. Het is vóór alles een indrukwekkende roman. De schrijver van De vliegeraar van Kabul, waarvan wereldwijd 5 miljoen exemplaren werden verkocht, is erin geslaagd een epos te schrijven dat ontroert, dat je boos maakt en dat je doet huiveren. Hosseini is een vakman, in staat geloofwaardige personages te creëren en verhaallijnen soepel in elkaar te weven. Zijn taalgebruik is eenvoudig en zijn stijl is niet opvallend beeldend of poëtisch. Het is die van een vakman die weet hoe hij op een effectieve manier, en met vaart, een verhaal moet vertellen. Korte beschrijvingen wisselt hij af met korte dialogen en soms is er een vooruitblik ingelast, waardoor je bij de les wordt gehouden.

Anders dan zijn landgenoot Atiq Rahimi focust hij niet op een enkele crisis of op een specifieke politieke periode. Anders dan de Algerijn Yasmina Khadra doet hij geen poging te begrijpen waarom een jongeman zich laat ronselen voor de jihad en zich laat opleiden tot zelfmoordterrorist. En anders dan de Egyptenaar Alaa el Aswany heeft hij niet de intentie de volksaard te schetsen aan de hand van het leven in een bepaalde wijk.

Hosseini had de ambitie een halve eeuw Afghaanse geschiedenis te beschrijven vanuit het gezichtspunt van de ‘gewone’ Afghaan. Wat betekent het voor een doorsnee burger steeds weer te moeten buigen voor de volgende dictator? Wat voor kinderen krijg je als iedere volgende generatie opgroeit in doodsangst? Wat blijft erover van een vrouw als iedere vrijheid haar ontnomen is? Daarom vertelt Hosseini het levensverhaal van twee vrouwen, speelbal van de geschiedenis, boksbal van de man. Mariam is de bastaarddochter van een rijke zakenman in de westelijke stad Herat, bakermat van de kunsten. Haar moeder, zijn dienstmeisje, werd – eenmaal zwanger – opgeborgen in een afgelegen hutje, waar vader zijn dochter regelmatig komt bezoeken. Totdat zij het in haar hoofd haalt deel te willen uitmaken van zijn leven, van zijn wereld en voor zijn deur staat. Haar moeder had haar al gewaarschuwd: ‘net als de naald van het kompas die naar het noorden wijst, vindt de beschuldigende vinger van een man altijd een vrouw’.

Na de zelfmoord van haar moeder wordt Mariam op 15-jarige leeftijd uitgehuwelijkt aan een schoenmaker in Kabul, 650 kilometer verderop. Die is dertig jaar ouder, weduwnaar en op zoek naar een dienstmeid annex broedkip. Voor haar echtgenoot ‘is het gezicht van een vrouw uitsluitend en alleen een zaak van haar man’ en dus blijft ze binnen en draagt ze, de weinige keren dat haar man haar mee naar buiten neemt, een burka. Omgang met buurvrouwen wier mannen er ‘gevaarlijke, intellectuele denkbeelden’ op na houden is verboden. Mariam krijgt de ene miskraam na de andere, niet bevorderlijk voor het humeur van haar toch al gewelddadige echtgenoot. Hij wrikt haar mond open, stopt er een hand steentjes in en dwingt haar te kauwen. Tranen, bloed en gebroken kiezen. Haar leven is een ‘oefening in het verdragen van pijn’.

Dan introduceert Hosseini zijn tweede vrouwelijke hoofdpersoon, Laïla, een veel jonger buurmeisje dat bij een raketaanval haar ouders heeft verloren. Haar vader was een van die ‘gevaarlijke intellectuelen’, een leraar die van boeken hield en zijn dochter en haar jeugdliefde Tariq meenam om de beroemde, gigantische boeddha’s in Bamiyan te bekijken. Dezelfde boeddha’s zouden later door de Talibaan vernietigd worden. Laïla’s moeder verkeert in een waanwereld sinds haar beide zonen zich aansloten bij commandant Masud, ‘de Leeuw van Panjshir’, en in de guerrillaoorlog het leven verloren. Laïla wordt de tweede vrouw van de schoenmaker en baart een zoon. Dat die niet de zijne is, maar die van haar jeugdliefde, zal pas later tot hem doordringen.

Met Laïla treedt de opstandigheid het verhaal binnen, die van de jongere generatie die zich niet neerlegt bij de afranselingen, die probeert te ontkomen, openingen zoekt voor een ander leven, ook al wordt ze aan haar haren teruggesleurd. In vrouwen als Laïla schuilt de kracht het geweld te beteugelen, suggereert Hosseini, de wil scholen te stichten, een eind te maken aan oorlog, armoede en willekeur.

‘Talloos zijn de manen die op zijn daken glanzen’, dichtte Saib-e-Tabrizi in de 17de eeuw over Kabul, ‘de duizend schitterende zonnen achter al zijn muren’. Hij schreef het loflied ter meerdere eer en glorie van Kabul, ooit de bakermat van beschaving en kunst, nu een verwoeste stad. Maar wie het boek uit heeft, beseft dat Hosseini de titel inzet als een ode aan de Afghaanse vrouw, geknecht en vermorzeld, maar ook de enige hoop op een betere toekomst.