Snippers uit de Stalintijd

Raster 117. Afscheidsboek, Joeri Olesja. Vertalingen door Madeleine Mes.De Bezige Bij, 191 blz. €15,–

Het schrijversleven van Joeri Olesja (1899-1960) kwam eerst onder Stalin tot stilstand en werd door de dood beëindigd voor hij de draad weer kon oppakken. Hij heeft zijn levenswerk, waaraan hij ten tijde van de stalinistische terreur in het geheim werkte, nooit kunnen afmaken. Pas na 1956, toen de ‘dooi’ onder Chroesjtsjov inviel, kregen schrijvers in de Sovjet-Unie meer vrijheid, maar dat was voor Olesja te laat: vier jaar later overleed hij aan een hartinfarct. Het tijdschrift Raster publiceert in haar voorjaarsnummer een ruime selectie van honderzestig pagina’s uit zijn nagelaten geschriften. Deze scherpzinnige, beeldende notities hadden een min of meer samenhangend boek moeten worden. Ook in onafgemaakte vorm tonen ze aan dat Olesja een groot schrijver was.

Olesja schreef één roman, Afgunst (1927), en die werd meteen erkend als meesterwerk. Daarvoor was hij al tot de kringen van de moderne Sovjetschrijvers toegetreden; met zijn drie jaar eerder gepubliceerde kinderboek De drie dikzakken had hij veel lof geoogst. Afgunst werd vanaf de jaren dertig niet meer herdrukt, omdat censors in het boek een subversieve boodschap lazen. De modernist Olesja sprak tijdens het grote schrijverscongres van 1934, waar de richtlijnen werden vastgesteld waaraan een werk in de communistische staat moest voldoen, openhartig over zijn onvermogen om aan de eisen van de twee jaar eerder opgerichte Schrijversbond tegemoet komen. ‘Ik had naar een bouwplaats kunnen gaan, op een fabriek temidden van de arbeiders leven, hen in een reportage of een roman kunnen beschrijven, maar dat was niet mijn thema, het was niet mijn thema dat mij in het bloed zat, dat was verbonden met mijn adem. Bij dit thema zou ik geen echte kunstenaar kunnen zijn’. De enige reden dat Olesja Stalin heeft overleefd, ligt waarschijnlijk in het feit dat hij geen ‘eigen’ werk meer publiceerde. Hij hield zich in leven met journalistiek werk en romanbewerkingen voor toneel.

Olesja’s notities, die nu dankzij vertaalster Madeleine Mes voor het eerst in het Nederlands te lezen zijn, bestaan uit dagboekaantekeningen, herinneringen, gedachtenflarden, aanzetten tot een verhaal en bespiegelingen over literatuur en het leven. Omdat zijn schrijversleven beknot was, moest voor zijn gevoel wat hij schreef ook kort en onvoltooid blijven: ‘misschien kan zo’n psychologisch type als ik, in zo’n historische tijd als nu, ook niet op een andere manier schrijven’. Zelden zijn de notities langer dan een pagina, meestal maar een halve. Ze zijn sensitief, associatief, en rijk aan metaforen. Soms lijken het simpelweg schrijfoefeningen, zoals wanneer hij een windvlaag beschrijft: ‘De wind is als een atleet aan het werk in de bladeren’. Soms zijn het poëtische overpeinzingen, zoals deze bespiegeling over zijn vermogen om midden in de nacht zonder klok de tijd te bepalen: ‘In dat sluimerende nachtelijke uur ergens rond kwart voor vier, als de muis naar de muizenval komt, kan ik bepalen hoe laat het is. Het is niet zo’n heel belangrijk vermogen, maar het gaat niet om het vermogen zelf, het gaat erom dat, als ik het vermogen heb, ik dus werkelijk deel ben van de wereld die los van mij bestaat’. Misschien was Olesja eigenlijk wel een dichter.