Ongehinderd door bouwkundige bezwaren

De Franse architect Le Corbusier is de held van architecten, ondanks zijn flirts met Stalin en Mussolini. Een overzichtstentoonstelling in het NAi laat zien hoe compromisloos hij zijn eigen weg ging.

Toen de Franse banlieue anderhalf jaar geleden brandde, was Le Corbusier (1887-1965) één van de zondebokken. Zo achtte de schrijvende Britse psychiater Theodore Dalrymple hem op de opiniepagina van deze krant verantwoordelijk voor de ellende van de banlieue met haar „kazernes waar miljoenen bij elkaar werden gepropt, om er volkomen afgesneden van de rest van Frankrijk weg te teren.” Hij zag het als „een teken van de Franse zelfgenoegzaamheid dat Le Corbusier in Frankrijk nog altijd geldt als een held onder architecten, in plaats van als het misselijke egoïstische monster dat hij was.”

Niet alleen in Frankrijk maar overal in de westerse wereld is Le Corbusier, pseudoniem voor Charles-Edouard Jeanneret, nog steeds een held. Wie bijvoorbeeld het Antwerpse architectenbureau van Jo Crepain bezoekt, wordt aangestaard door een metershoog portret van de zwaar bebrilde architect dat op een muur is aangebracht. Le Corbusier is een voorbeeld voor de ook in Nederland veel bouwende Crepain.

Toch dweept Crepain niet met zijn roemruchte voorganger. „Le Corbusier was dé held tijdens mijn opleiding aan de Academie in Antwerpen”, legde hij een paar jaar geleden uit. „Van hem heb ik overgenomen dat in al mijn gebouwen een ‘promenade architecturale’ zit, een route die zorgt voor de beleving van de verschillende ruimtes. Maar plattegronden kon hij niet maken. Dat interesseerde hem helemaal niet. Zijn woningen zijn onmogelijk om in te leven.”

Hoe onmogelijk, ondervond het echtpaar Savoye nadat ze hun door Le Corbusier ontworpen villa hadden betrokken. Eigenlijk hadden ze een rustiek huis met puntdak gewild, maar Le Corbusier wist hen ervan te overtuigen dat men in de twintigste eeuw, het tijdperk van de machine, moest wonen in een zwevende witte doos. Nadat de Villa Savoye in 1929 was voltooid, bleek de ‘machine à habiter’, zoals Le Corbusier woningen toen noemde, te haperen. Het platte dak lekte en was er volgens het echtpaar Savoye de oorzaak van dat hun zoontje in zijn vochtige slaapkamer bronchitis had gekregen en naar een sanatorium moest. Maar Le Corbusier liet weten dat ze niets te klagen hadden, omdat ze in een mijlpaal van de architectuurgeschiedenis woonden.

Ook op de prachtige

tentoonstelling Le Corbusier. De kunst van de architectuur, die morgen opent in het Nederlands Architectuurinstituut, is Le Corbusier een held. Het eerste grote overzicht van Le Corbusiers werk sinds zijn honderdste sterfjaar in 1987 (en het allereerste in Nederland) presenteert hem als een twintigste-eeuwse homo universalis. De 450 originele tekeningen, maquettes, schilderijen, tapijten, stoffen, films, foto’s, beeldhouwwerken, meubels en interieurs laten zien dat Le Corbusier niet alleen architect was, maar ook een stedenbouwkundige, designer, beeldhouwer, schilder, fotograaf en schrijver. Le Corbusier schreef een stuk of 57 boeken, waarvan Vers Une Architecture uit 1923 het bekendste is. Het wordt nog altijd herdrukt.

Ook van de vele stedenbouwkundige ontwerpen die Le Corbusier gedurende zijn lange loopbaan maakte, zijn er in Rotterdam verschillende te zien. Het Plan Voisin uit 1923 staat er bijvoorbeeld als maquette; het plan van Le Corbusier om de rechteroever van Parijs, op het Louvre na, te slopen en te vervangen door torenflats in een groot park. Ook zijn Ville Radieuse, de Stralende Stad uit 1935, is er; het ontwerp voor een ongenaakbare groene rasterstad waar de door Le Corbusier gehate traditionele straten met gevelwanden waren vervangen door snelwegen en paden en waar de wijken voor werken, wonen, bestuur en ontspanning strikt van elkaar waren gescheiden.

Voor Moskou, waar zijn grootste vooroorlogse project, het Tsentrosojoez, in de jaren 1928-1936 werd gebouwd, maakte Le Corbusier eveneens een stedenbouwkundig ontwerp. Net als zijn Plan Voisin voor Parijs voorzag het in de afbraak van het grootste deel van Moskou – zijn leven lang haatte Le Corbusier de grote stad, die onhygiënische poel van verderf. Het Kremlin en nog een paar monumenten mochten van hem blijven staan, maar voor de rest zou het oude, rommelige, weerzinwekkende Moskou worden vervangen door een gezonde stad van losse blokken en torens in een parklandschap.

Stalins Sovjetunie was tussen 1928 en 1932 voor Le Corbusier het land van de toekomst; hij hoopte er eindelijk zijn grootse plannen te realiseren. Maar nadat zijn ontwerpen voor de vernieuwing van Moskou en het gigantische Paleis der Sovjets door de communistische machthebbers waren afgewezen, bood Le Corbusier zijn diensten aan bij een andere Europese dictator. Hij schreef Mussolini, de leider van het fascistische Italië, een brief waarin hij uitlegde dat zijn nieuwe architectuur volmaakt paste bij Mussolini’s ‘nieuwe orde’. Maar Mussolini vond dat Italië zelf veel betere moderne architecten had. Ten slotte deed Le Corbusier in 1940, nadat half Frankrijk was bezet door nazi-Duitsland, een poging de hofarchitect te worden van het met de nazi’s heulende Vichy-regime. Hij verhuisde naar Vichy en deed anderhalf jaar lang vergeefs zijn best om zijn grootse plannen te bespreken met maarschalk Pétain, de leider van het regime van Vichy.

Volgens de Zwitserse architect-schrijver Daniel de Roulet, die in oktober 2005 in het tijdschrift Tracés een artikel over Le Corbusiers verblijf in Vichy schreef, handelde Le Corbusier niet louter uit opportunisme. Uit een brief uit Vichy aan zijn moeder spreekt bijvoorbeeld een zekere bewondering voor Hitler. „Hitler kan zijn leven bekronen met een grandioos werk: de vernieuwing van Europa”, schreef hij.

Voor De Roulet was Le Corbusiers bewondering voor Hitler geen toeval: als dertiger al was hij een antisemiet, getuige twee brieven uit 1913 en 1914 die hij in zijn Zwitserse geboorteplaats Chaux de Fonds schreef. Hierin spreekt Le Corbusier van de „kleine joden die de hele plaatselijke industrie domineren” en joden die „huichelachtig zijn wegens hun ras”.

Wonderlijk genoeg heeft Le Corbusiers hardnekkige geflirt met totalitaire regimes zijn reputatie niet geschaad. Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef hij de held van de moderne architectuur. De nieuwe machthebbers van de Franse Vierde Republiek vergaven hem zijn politieke zonden en betrokken hem bij de wederopbouw. In verschillende Franse steden mocht hij zijn Unités d’ Habitations realiseren: grote, ruwbetonnen, anti-stedelijke woningcomplexen op poten met inpandige winkels en zwembaden en sportbanen op het dak.

In zijn mooie biografie Le Corbusier and the Continual Revolution in Architecture uit 2000 verzwijgt de Brits-Amerikaanse architect en criticus Charles Jencks Le Corbusiers politieke dwalingen niet. Maar ze moeten hem worden vergeven, vindt Jencks. „Misschien is de kunstenaar, die per definitie voorbij het dagelijkse leven moet gaan, meer toegestaan dan andere burgers en mag hij enkele politieke dwalingen begaan en een gebrek aan realpolitik hebben”, schrijft hij. „Men kan niet zijn integriteit betwijfelen bij dat waar hij het meest bij betrokken was: architectuur.’’

Hij mocht dan bij

Stalin, Mussolini en Pétain hebben gebedeld om opdrachten, hij probeerde ze tenminste niet te behagen met klassieke zuilen, vindt Jencks. Le Corbusier ging zijn hele loopbaan lang onverstoorbaar zijn eigen compromisloze weg.

Die weg was niet recht, zo is ook goed te zien op de tentoonstelling in Rotterdam. In zijn architectuur wisselde hij een keer of vijf drastisch van stijl. In de jaren twintig werd Le Corbusier met zijn ‘puristische’, witgepleisterde gebouwen de koning van het Nieuwe Bouwen. Zijn revolutionaire ‘vijf punten voor een nieuwe architectuur’ – gebouwen moeten een daktuin hebben en geen dragende muren, maar rusten op kolommen, die een vrije plattegrond en doorlopende strookramen mogelijk maken – werden het evangelie van de modernistische architectuur. Maar al midden jaren dertig ontwierp hij iets heel anders dan gebouwen die lijken te zweven. Met zijn Weekend House (1935), een stevig huis met een dak van tongewelven en gebouwd van onbewerkte materialen, introduceerde hij het brutalisme, de harde architectuur van ruw beton die na de Tweede Wereldoorlog populair werd onder architecten.

In de jaren vijftig legde hij met zijn kerkje Notre Dame du Haut in het Franse Ronchamp volgens Jencks zelfs de basis voor het postmodernisme. Voor de vele bewonderaars van Le Corbusier, die in hem juist de paus van het modernisme zien, is dit natuurlijk een stap te ver. Maar zeker is dat de kerk in Ronchamp, die natuurlijk nu ook in Rotterdam is te zien, in bijna alles het tegendeel is van de Villa Savoye. Is de Villa Savoye een koele, rationalistische toverdoos waarin een ‘promenade architecturale’ voert langs een schitterende opeenvolging van in elkaar overlopende ruimtes, de knoestige, sculpturale kerk in Ronchamp is, met zijn dikke muren en kleine ramen, een mystieke bedevaartsgrot die elke bezoeker al Le Corbusiers zonden onmiddellijk doet vergeven.

Tegen het einde van zijn leven zorgde Le Corbusier voor nog twee wendingen. Over het kromlijnige paviljoen dat hij voor Philips ontwierp voor de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel wordt vaak beweerd dat het de eerste ‘blob’ is. En met het Centre Le Corbusier in Zürich dat hij vlak voor zijn dood ontwierp, legde Le Corbusier de basis voor de hightech architectuur die sinds de jaren zeventig vooral door Britse architecten wordt gepraktiseerd.

Tot zijn verdrinkingsdood in de Middellandse Zee in 1965 was Le Corbusier alle andere architecten steeds een stap voor. Zodra zijn opvattingen onder architecten gemeengoed werden, vond hij een nieuwe stijl uit die zijn collega’s altijd eerst schokte. Zo werd hij de modernste van alle moderne architecten, de belichaming van de moderniteit waarvan het wezen tenslotte voortdurende verandering is.

Veel van de revoluties in Le Corbusiers werk kwamen voort uit zijn schilderkunst, zo is ook in Rotterdam goed te zien. Bijna zijn hele loopbaan lang was hij ’s ochtends schilder, ’s middags architect en urbaniste en ’s avonds schrijver. Critici hebben zijn schilderkunst, die begon met half kubistische stillevens met flessen, kopjes en andere vormen en eindigde met wandschilderingen vol symbolen, nooit erg gewaardeerd. Maar ze waren een soort laboratorium voor zijn architectuur. De rondingen in Le Corbusiers architectuur van de jaren veertig en vijftig kondigen zich aan in de Léger-achtige naakten met wulpse vormen die hij eerder schilderde, zo is te zien in Rotterdam. Le Corbusier was de kunstenaar-architect bij uitstek die zich niet liet hinderen door de bouwkundige bezwaren die in de architectuur vaak tussen droom en daad staan.

Anders dan op de tentoonstelling in Rotterdam komen in Jencks biografie maar weinig van Le Corbusiers stedenbouwkundige plannen voor. Door Le Corbusier voor te stellen als de Picasso van de architectuur, kan Jencks hem afschilderen als een politieke naïeveling.

Maar juist in Le Corbusiers stedenbouw, die nog invloedrijker is dan zijn architectuur, ligt de verklaring voor zijn geflirt met totalitaire regimes. Le Corbusiers stedenbouwkundige plannen hebben zelf ook een totalitair karakter.

Als ze gebouwd waren,

zouden ze van A tot Z hebben bepaald hoe de bewoners leven. Zijn steden waren één groot sanatorium. Het individu zou er geen enkele vrijheid of ruimte krijgen: iedereen moest als een soort monnik in eendere hoogbouwwoningen wonen, iedereen diende van groen en sport te houden en iedereen was verplicht de traditionele grote stad te haten. Alles – wonen, werken, bestuur en ontspanning – had een door Le Corbusier aangewezen vaste plek.

Hij begreep dat alleen een almachtige dictator zijn Stralende Steden kon uitvoeren. Meermalen heeft hij gezegd dat hij voor zijn plannen een Colbert nodig had, de daadkrachtige, machtige minister van de Franse koning Lodewijk XIV. In Stalin, Mussolini en Pétain zocht Le Corbusier vergeefs zijn Colbert. Uiteindelijk zou hij hem vinden in de Indiase leider Pandit Nehru. Die gaf Le Corbusier in de jaren vijftig de opdracht om Chandigarh te ontwerpen, de hoofdstad van de nieuwe deelstaat Punjab.

Chandigarh is tot Le Corbusiers grote spijt de enige stad gebleven die hij ontwierp. Maar overal in de westerse wereld zijn na de Tweede Wereldoorlog buitenwijken in zijn geest gebouwd. Zijn bewonderaars ontkennen vaak het verband tussen de Ville Radieuse en bijvoorbeeld de Franse banlieue. De huurkazernes in de banlieue zijn ontworpen door minder begaafde navolgers van Le Corbusier, beweren ze, die bovendien met lage budgetten werkten.

Maar kijk eens naar de Aménegement de l’ilot insalubre no 6, de ‘Vernieuwing van het ongezonde blok huizen nummer 6’, dat Le Corbusier in 1937 ontwierp. Op de gedetailleerde tekening staan midden in Parijs twee gigantische haakvormige flats, omgeven door bomen en een voetbalveld. De haken zijn stapelingen van eendere woningen die in hardheid en monotonie niet onderdoen voor de kazernes die nu overal in de buitenwijken van de grote Franse steden staan.

Als Le Corbusier zijn Colbert had gevonden in Frankrijk, dan hadden nu niet alleen de Franse buitenwijken maar ook de Franse binnensteden geen straten.

Le Corbusier, De kunst van de architectuur. T/m 2 september in het NAi Rotterdam. www.nai.nl