Niets dan neergang

Jaap van Duijn: De groei voorbij. Bezige Bij, 288 blz. €18,90

Schiphol? ‘Het aantrekken van grote hoeveelheden toeristen die het alleen als overstappunt gebruiken en er misschien een uurtje winkelen past niet binnen de eisen die in Nederland aan toekomstige groei gesteld moeten worden.’ Schaalvergroting? ‘Veel te ver doorgeschoten.’ Openbaar vervoer? ‘De vraag is of OV winstgevend kan zijn dan wel moet zijn. Als men adequaat openbaar vervoer als een voorziening ziet die net zo essentieel is als een goed wegennet, is het antwoord: nee.’ Europese Unie? ‘De voordelen kunnen omslaan in nadelen ‘omdat de baten eenmalig waren maar de kosten jaarlijks terugkeren.’

Nee, dit is niet VVD-leider Mark Rutte die er achter is gekomen dat de politiek begunstigde schaalvergroting in de publieke dienstverlening negatieve rendementen oplevert. En ook geen SP-denktank tégen Europa en voor gratis openbaar vervoer. De auteur is Jaap van Duijn (1943), tot 2005 bijna twintig jaar lang topbelegger bij Robeco. Aandelenbeleggers zijn optimisten van nature. Wie belegt, gelooft in de toekomst, in positieve rendementen, al zullen er zeker rotjaren tussen zitten. Somberaars kunnen beter hun geld op de bank zetten, op een spaarrekening zetten, of het geld uitgeven. Van Duijn is een ‘beeldeconoom’. Hij is geporteerd van de economische trends, de langjarige cycli van op- en neergang. We zitten nu in de laatste groeifase die de digitale revolutie heeft veroorzaakt.

Het gaat ver om Van Duijn in te delen bij de pessimisten. Maar de titels van zijn zeven hoofdstukken zeggen genoeg. Het einde van een tijdperk (hoofdstuk 2). De lessen van de 18de eeuw (hoofdstuk 4). De groei voorbij (hoofdstuk 7). Hij zet het falen van de Nederlandse economie op een rij. Hoge werkloosheid, maar toch een tekort aan kenniswerkers en vaklieden. Grote vraag van werkgevers en particulieren naar de spreekwoordelijke Poolse loodgieters en naar programmeurs uit India. Politici proclameren kenniseconomie, maar Nederland is onmachtig om voldoende bèta-studenten op te leiden. De toekomst van de diensteneconomie is onweersproken, maar het gebrek aan dienstbetoon is schrijnend. Van Duijn trekt de vergelijking met de 18de eeuw: renteniers, stilstand, achteruitgang.

Wat Van Duijn onderscheidt van andere critici van de Nederlandse economie is dat hij als authentieke zelfdenker niet in een politiek of economisch modieus hokje is te passen. Hij heeft de brede blik en een lange horizon. Neem de baan voor het leven. Dat is passé. Mannen én vrouwen moeten langer werken. Maar wie vaak van werk wisselt wil centraal wonen. Arbeidsmobiliteit gaat gepaard met ongekende vervoerstromen. Zo brengt Nederland zijn laatste schatten om: ruimte, rust, natuur.